Zaterdag 22 oktober
In Belfast sprak ik met een vrouw in een informatiecentrum in Shanklin Road.
Ik bleef maar zeggen: 'I don't understand', en de vrouw tegenover me haalt haar schouders op.
Ze is opgegroeid met de murals, de peace walls en het prikkeldraad.
I don't understand.
Ik begrijp er helemaal niets van.
Op tv de afgelopen dagen de beelden van een stervende dictator.
Geen grootspraak meer van zijn kant, opeens is hij mens, wat voor mens dan ook.
Hij is een mens met kapotte kleren en een bebloed gezicht en andere mensen sleuren hem over de straat.
Tonen hem als hij dood is.
Ik lees vandaag dat hij ligt opgebaard in de koelcel van een supermarkt, dat rijen mensen langstrekken om een foto te maken.
Stel het me voor, tussen de pizza's en de pakken diepvriesspinazie.
Zie het later terug op tv, de koelcel is dan een kleine ruimte waar hij op de grond op een matrasje ligt. De bezoekers krijgen mondkapjes uitgedeeld.
Vanavond keek ik naar Louis Theroux. Hij was op de Westbank in Israel en sprak met Joden en Palestijnen. Joodse kolonisten vestigen zich midden in de Palestijnse gebieden, omdat ze zeggen recht te hebben op die plek. Ze willen daarmee een ideologisch punt maken. Ze krijgen lijfwachten om zich te kunnen beschermen tegen de buren.
Verderop staan grenssoldaten. Kinderen gooien stenen naar ze. De soldaten staan er wat bedremmeld bij, schreeuwen wat. Gooien traangas. Schieten.
Wij en zij.
Wij tegen zij en andersom, en het ziet er niet naar uit dat daar ooit een einde aan zal komen.
Ik denk niet dat de meesten dat willen, ze willen geen vrede.
Want vrede is een compromis, en ze willen enkel hun recht.
Recht verkregen door geboorte, door ras, door godsdienst.
Ik begrijp het niet.
Herken wel iets van een wij en een zij.
Toen ik vroeger rondliep met getoupeerd haar en ik kwam iemand met een zelfde soort kapsel tegen dan knikten we bijna onzichtbaar elkaar.
Een blik van verstandhouding. Een wij gevoel. Niet zozeer tegen iemand, tegen een zij, gericht, wel een gevoel van verbondenheid.
Ik kan me het gevoel herinneren van demonstraties. Mijn eerste, tegen kruisraketten, al wist ik nauwelijks wat dat waren, en mijn laatste, tegen bezuinigingen op het onderwijs waar het gigantisch uit de hand liep en we moesten rennen om niet te worden gebeten door de politiehonden en niet omver te worden gelopen door de paarden. Toen ervoer ik wat 'tegen' was, en dat dat best goed voelde. Ik hoorde ergens bij, ik was anders, ik liet mijn stem horen.
Maar een leven enkel nog beheerst door wij-zij.
Al je handelen komt daaruit voort, uit een gevoel van superioriteit.
Dat heet geen provoceren, het is volledig in je recht staan. Denkt men.
Je kunt je er niet aan onttrekken, ben je niet voor hen, dan ben je automatisch tegen hen.
Een jongen die meedoet aan de Occupy protesten wordt gevraagd waar ze nu eigenlijk tegen zijn.
'We zijn niet zozeer tegen iets, we zijn voor verandering'.
Daar zit een wereld tussen.
Een vechtende wereld waar ik niets van begrijp.