Donderdag 12 oktober
De huisarts vertelt me wat ik kan verwachten.
Verwachten.
Niet meer in verwachting, volop aan het baren.
Buikpijn, hevige buikpijn.
Alles in mij trekt samen, knijpt, protesteert, wil mij verlaten.
Golven pijn. Het komt en het gaat, maar nooit helemaal weg.
Dit zijn weeën, zegt de huisarts, en ik heb de beelden duidelijk op mijn netvlies, de vrouwen die zweten, die gillen, die de hand van hun mannen fijnknijpen, en die opgelucht lachen, gelukkig zijn bij het eerste gehuil van dat tussen hun benen.
Ik vloek, ik huil geruisloos, ik wil je niet loslaten maar jij denkt daar anders over, en in mijn hand mijn mobiel waar de huisarts gedurende de dag mijn contact met de buitenwereld vormt.
Bloed, hevig bloedverlies.
Ik kijk naar mijn huid, of deze niet al wit is door al dat bloedverlies, maar het vakantiebruin wat vloekt bij mijn interne gesteldheid wint het.
Het bloed stroomt langs mijn benen, er komt geen eind aan.
Om niet de hele dag maar op de wc te zitten, sta en zit ik veel onder de douche, lig ik in bed met een speciaal matje tegen het doorlekken, draag ik enorm dikke verbanden die in mijn broek op een luier lijken wat nu een nogal cynische associatie is.
Stolsels.
Op internet lees ik: Stolsels zijn helder rode gelatine achtige klonten bloed, die zo groot als een vuist kunnen zijn.
Ik zie ze in de wc pot liggen en huil onbedaarlijk.
Durf niet door te trekken, bang jou hiermee eigenhandig te vermoorden, alsof je niet al dood bent.
Het bewijs daarvan krijg ik aan het einde van de dag geleverd.
Daar lig je dan, op bed, op het speciale matje.
Nog zo klein, maar al zo herkenbaar als mensje.
En na je komt je nageboorte.
De dokter zegt in mijn oor dat ik je op moet vangen, moet bewaren. Ze komt straks langs om te kijken of alles er uit is.
Ze zegt dat men zegt dat je er goed naar moet kijken, naar de vrucht. Voor de verwerking. Dat je misschien ook foto's moet maken.
Ik probeer je als kunst te zien.
Pak mijn toestel.
Leg je vast.