Vrijdag 13 november
Vanavond neem ik Vriendin mee naar die mooie, bijzondere, muziekmakende zigeuner van me.
Goran Bregovic.
Ik heb hem gezien bij de zitconcert in Paradiso, waar ik met een date was, iemand die me in zijn eerste oogopslag al liet weten verder niet in mij geïnteresseerd te zijn en met Ex samen in het Concertgebouw.
Nu treedt hij op in de Melkweg, en ik koop kaarten als er sprake is van een staconcert, de zitplaatsen zijn pas later in de verkoop gegaan.
We zijn er vroeg, we staan vlak bij de bar. Drinken appelsap, omdat we nog zo vol zitten van de kaasfondue en onze buiken de laatste weken sowieso al veel lucht bevatten en loslaten.
De zaal stroomt vol, we horen buitenlandse klanken om ons heen. Vrouwen met laarzen waarbij de rits wel helemaal tot boven dicht kan, vrouwen met slanke lijven en strakke topjes. De mannen zijn of type zigeuner, of met weinig haar, of met weinig ballen.
Er is een vrouw. Naarmate de avond vordert verandert de benaming die we voor haar hebben, nu is het nog vrouw. Ze heeft kort zwart haar, een spitse neus, een hele strakke spijkerbroek en een t-shirt met opdruk. Als het concert nog niet is begonnen danst ze al op de balkanmuziek die uit de grote boxen komt. Ze heeft eigenlijk maar 1 beweging: de knieën recht boven haar voeten, de bovenbenen in een hoek van ongeveer 45 graden, het kruis omhooggedrukt, het achterlijf helt naar achter, de kleine borsten priemen in de lucht, het hoofd schuin gedraaid om te zien of ze publiek heeft, en de handen als een buikdanseres draaiend de lucht in. De ogen hebben een wilde blik, de pupillen zijn verwijd.
Als het concert begint en de muzikanten via de zijdeur de concertruimte betreden gaat ze zo dansend voor ze staan. Het publiek maakt ruimte maar kijkt meewarig.
Het kost me grote moeite te genieten van de muziek, Vriendin is er veel beter in.
De klanken van de violen en de stemmen gaan verloren in een reünie van de lange Servische vrouwen voor me. Mensen schuiven me opzij omdat ze bier willen halen. Er wordt gezwaaid naar anderen die zich dan ook bij de groep voor me voegen, ik word bijna claustrofobisch door het gebrek aan ruimte.
Een vrouw met grijs haar en veel make-up danst wild mee met de muziek. Ze heeft een jongen meegenomen, heel veel jonger, met een beige wollen muts op. Ze raken elkaar aan, maar hoe meer hij drinkt hoe meer hij ook anderen aanraakt.
Mannen komen langs, houden biertjes omhoog om vooral geen vocht te verspillen. Te laat, het vieze zweet gutst uit de oksels die op neushoogte voorbij komen. Mijn kleren zullen vanavond niet naar rook stinken, maar bierlucht kan ook behoorlijk penetrant zijn.
De vrouw met het korte zwarte haar die inmiddels geen vrouw meer mag heten heeft zich op het podium gehesen. Goran stopt meteen met spelen en loopt het podium af. Een medewerker van de Melkweg loopt op haar af, tilt haar op totdat ze als een baby in zijn armen ligt en loopt zo met haar de coulissen in.
Het concert wordt vervolgd.
Pas aan het eind, als iedereen naar voren dringt om alles nog beter tot zich te nemen, krijg ik ruimte en komt de muziek echt tot me. Een traan rolt over mijn wang als Ederlezi wordt gespeeld, het nummer uit Time of the Gypsies, het nummer dat ik op de MP3 speler had toen ik in de bus zat, rijdend door de bossen tussen Auschwitz en Krakau. Dans op de snellere nummers. Merk op een gegeven moment dat de vrouw met de korte zwarte haren die nu definitief geen vrouw meer mag heten naast me staat. Ze blijft in de stand staan die we inmiddels zo goed van haar kennen, haar natte haren rusten op mijn arm. Ik duw haar van me af.
Ik ben blij als Vriendin zegt dat ze het goede muziek vond. Ik voelde me verantwoordelijk, nam haar mee naar iets wat ze niet kende.
Ik voel me ook ouder geworden. Te oud voor dit soort concerten, staand, met dringende, door muziek heen pratende mensen. Mijn rug beklaagt zich. Ik voelde me oud, stijf en lelijk, en Nederlands.