MEE LEVEN

MEE KIJKEN

ANDER LEVEN

EERDER LEVEN

VANDAAG
Sammy
november 2008

Dinsdag 11 november

Dat je op een weg zit. Een weg waarvan je denkt dat het de juiste is.
Dat er dingen op die weg komen, dingen die je eerst lijken te vergezellen, dingen die nog even geen duidelijke vorm hebben aangenomen.
Dan komen de contouren door de mist opzetten, je ziet ook opeens welke afslag je dreigde te nemen, welke afslag je redelijk bewust had wíllen nemen. Een terugweg.

Het kost moeite.
Het kost moeite het nieuwe pad te bewandelen, te blíjven bewandelen, terwijl het beter voor me is. Terwijl het me naar een mooiere bestemming zou moeten kunnen leiden.
Maar die bestemming is nog niet in zicht, nog lang niet in zicht.
Woensdag 12 november

Zondag 16 november

In de trein in Noorwegen bedacht ik me dat ik zou stoppen met mezelf vragen te stellen.
Dit weekend lukt dat niet.
Een weekend waarin dingen in de weg zitten.
Een opgezette buik die krampen geeft.
Een onrustig hoofd, door de muizen die er rond rennen.
Een gemoedstoestand waarin je voelt dat je zou móeten schrijven, dat je mooie dingen zou kúnnen schrijven, waarin je tegelijkertijd in staat bent het script voor je 2e boek definitief te deleten.

De muizen vieren feest, dragen juichend de spandoeken met vragen. Ze komen eigenlijk allemaal op hetzelfde neer.
Wat levert het me op om bepaald gedrag in stand te houden.
Is het de verslaving aan verdriet, dat een troostende veilige jas lijkt aan te reiken?

Conclusies zijn net zo gevaarlijk als vragen.
Maar toch.

Ik laat me wel aanraken, niet liefhebben.

Donderdag 20 november

Naast me zit de man die binnen een paar weken vader wordt. Ik probeer me dat voor te stellen. Hoe dat is, om te weten dat je binnenkort vader, of moeder, wordt. Net zoals ik me probeer voor te stellen hoe het is om te weten dat je vermoord zal worden, op het moment dat het pistool op je gericht is.
Tegenover me zitten 2 mensen op wie ik gesteld ben, 2 mensen die na al die jaren ook zo duidelijk nog op elkaar gesteld zijn.
Ontroerend om te zien, hoe zij naar hem kijkt, terwijl hij vertelt over dat wonder van een geboorte, ruim 20 jaar geleden. Zijn handen maken het gebaar van een baby die hij wiegt, die hij vol ongeloof en diep respect voor dit wonder in zijn handen houdt. Zijn woorden gaan over een paniek, zijn vrouw die zoveel pijn had, zijn zoon, later, in zijn armen, zíjn zoon, zíjn kind, zíjn verantwoordelijkheid.

Mijn handen regelmatig op mijn buik, deze dagen.
Mijn opgezwollen harde buik, mijn handen proberen de kramp die nu 2 weken aanhoudt weg te wrijven.
Een paar dagen terug, ik droeg een strak jurkje, en ik zag opeens een prachtige zwangere buik en de pijn werd een andere.
De pijn van de golven die door mijn buik trekken werd een altijd op de achtergrond aanwezige pijn om het kind dat ik ooit verloren heb.

Zondag 23 november

Hallo winter.

De vlokken herbergen de tranen die ze niet huilen kan.

Om een gevoel van het nutteloos verstrijken van de tijd te verdrijven maakt ze ruimte vrij op haar harde schijf. Alsof ze daarmee ook bepaalde schadelijke bestanden uit haar geest kan verwijderen, virussen kan deleten.
Muziekjes, ooit gekopieerd van anderen, nu eindelijk eens beluisterd, en afgekeurd.
Plaatjes, gebruikt en hergebruikt en op meerdere plaatsen opgeslagen.
Gegevens van mensen die ze niet meer ziet, het zijn er meer dan ze dacht.

Dan komt ze bij bestanden waarvan ze het bestaan niet kende.
Ze opent ze, aarzelend.
Schrikt van wat ze leest. Van wat ze niet leest. Van wat ze ziet gebeuren.
Chatsessies waarin ze zich blootgeeft, veel te snel.
Ze weet beter, zoveel beter, maar kan er niet naar handelen.
Het is een oerdrift, een constant verlangen gezien te worden, aangeraakt te worden.
Een zoektocht naar de bevestiging dat ze er is en mag zijn.
Een zoektocht waarin kind en volwassene hand in hand gaan.

Ze is boos als ze terugleest hoe ze zoekt waar ze het niet zou moeten zoeken.
Schaamt zich, als ze ziet hoe ze kruipt, hoe ze hunkert.
Wordt misselijk als ze de afloop leest.
Een afloop die te verwachten was, die ze zelf in gang heeft gezet, en toch altijd weer pijnlijk en confronterend is.
De onvermijdelijke woorden: 'ik zal op jou niet verliefd kunnen worden', in meerdere varianten gemaild, synoniem aan het nooit uitgesproken 'ik hou van je', van haar ouders.

Ze heeft zich in haar jeugd talloze malen afgezet tegen haar opvoeding. Maar afzetten is geen losmaken, integendeel.
Ze is nog steeds dat kind dat hongert, dat met grote ogen om zich heen kijkt, haar hand verlangend naar een andere hand, conclusies trekkend als die hand niet komt.

Ze weet dat dit niet helpt.
Dit lezen, dit denken.
Maar eenmaal gestart is het als sneeuw die blijft liggen.

Zaterdag 29 november

We hebben uitzicht op de Akropolis vanuit de hotelkamer. Ik verheug me op ons bezoek eraan de volgende dag.
In de lange rij wachtenden wordt het langzaam duidelijk: geen toegang vandaag: die ochtend is iemand van het monument gesprongen, met dodelijke afloop.
Op slag chagrijnig.
Onze laatste dag in Athene loop ik echt ontzettend chagrijnig te wezen terwijl Ex mooie foto's aan het maken is en probeert zich niets van mij aan te trekken.
Een totaal vreemde maar toch een soort verwantschap.

Een paar jaar later, in de klas het bericht van een trein en een klasgenoot, met dodelijke afloop.
Had weinig kontakt met haar, toch een soort verwantschap.

Vandaag in het Dorp het bericht van iemands zelfdoding.
Geen bekende, wel verwantschap.

Iemands zelfgekozen dood is altijd confronterend.
Had ik niet, kon ik niet, waarom heb ik niet.
Maar ook: waarom leef ik nog, waarom denk ik nog steeds dat het goed kan komen en die ander niet, wat is mijn leven waard, wat zijn de stappen die ik zet.
Geen doemdenken, maar oprechte vragen.

Het is een herkenning van de periode die eraan vooraf gaat, een verwantschap met de eenzaamheid.
En hoe moedig ik de stap ook vind, ik wil hem niet (meer) zetten.
En dat schijnt ook weer een stap op zich te zijn.