Zondag 1 mei
Er is zoveel onrust in mijn hoofd, ik besluit een paar uur te gaan werken.
Deur open, radio aan, niemand om me heen. Tot de schoonmaker komt.
Ik geef mezelf tot 14 uur, trek dan de deur achter me dicht en loop naar de tram.
Half Amsterdam beweegt zich nog voort in de roes van gisteren, de andere helft is toerist en loopt in de weg.
Tram 25. Vanuit het centrum door de Vijzelstraat waar de huizen gestut worden. Langs de lange zijstraten van De Pijp, de zon verlicht de roodbruine bakstenen van de hoge woningen. Fietsen voor het huis, en bankjes met bewoners.
Langs het Sarphatipark waar men schaars gekleed de grassprieten plet.
De Rivierenbuurt met de duidelijke invloeden van Berlage.
Een jongen en een meisje hebben een bankje voor hun huis staan. Ze zitten met hun gezicht naar de zon gekeerd, een boek in hun handen. Een glas wijn op de grijze stoeptegels.
De tram stopt aan de President Kennedylaan, eindhalte.
Ik steek de straat over, ga het Martin Luther Kingpark door. Een wielrenner verliest zijn fietslampje, ik raak het op, geef het hem.
Honden bijten naar mijn benen, mensen lachen, lezen, slapen in het park.
De Amsteldijk, langs de woonboten waar mensen kopjes thee drinken op het dek. Voor de laatste boot staan 2 prachtige dofzwarte oldtimers. Eén heeft een lichtbruine hutkoffer van C.W. Lely op het dak.
De bloemenstal, en dan de statige hekken, de ingang van Zorgvlied.
Ik heb een boek: ´Wandelen over Zorgvlied´.
Daarin een wandeling langs graven van bekende mensen uit de wereld van kunst, cultuur en politiek en verhalen over deze mensen.
De vogels fluiten, mensen lopen over de paden met bloemen en gieters, ik probeer mijn toeristenschaamte van me af te zetten.
Ik voel me tot rust komen, alsof mijn diepgewortelde verdriet hier een plek krijgt, een verbondenheid geeft. Troost.
Het mausoleum van de familie Carré. Het bestaat uit 2 verdiepingen, gebouwd toen de vrouw van Oscar Carré omkwam bij een treinongeluk. In de kelder staan 12 kisten, van o.a. Oscar Carré en zijn 3 echtgenotes. Ik stel me dan toch al dan niet aangenaam gesprekken voor daar in de kelder.
Verderop liggen operazanger len del Ferro en de acteursfamilie Nooij gezellig naast elkaar. ´Dag lieverds´ staat er onder Beppie.
Het familiegraf van hoteleigenaar Krasnapolsky, de kolom met een dood plantje erop en het plaatje Leen Jongewaard.
Ton van Duinhoven, met de tekst:
Een spoor als rook,
niet veel om na te laten,
maar toch - het werd gezien.
De mozaiek rond de glasplaat van Annie M.G. Schmidt, de sobere steen van Greet Hofmans en het Biegelbankje, waar schrijver Paul Biegel samen met zijn zoon ligt, zijn echtgenote ernaast.
Dan sta ik bij een stukje grond met een plaatje met het grafnummer. Volgens het boek zou hier Charlotte van Gogh liggen, schoonzus van Vincent van Gogh. Er is geen steen, helemaal niets behalve dat plaatje met een nummer.
Na het familiegraf van circusfamilie Renz raak ik de weg kwijt. Ik moet links en rechts en ik snap er helemaal niets meer van.
In het uur erna stuit ik bij toeval op de laatste rustplaatsen van Ramses, Ischa en Frans Halsema.
Terwijl ik rondloop komt een echtpaar langs. De vrouw: `Mag ik wat vragen? Weet jij waar Antonie Kamerling ligt?´ Ik zeg het niet te weten, maar dat ik wel een grafnummer heb.
Ik laat zien hoe je kunt zien welk nummer een graf heeft. De vrouw gaat op een bankje zitten, ze zegt niet meer te kunnen lopen door de blaren.
De man loopt met me mee een pad in, hij denkt dat we het graf nu samen gaan zoeken.
Hij vertelt dat ze al vanaf half 1 aan het zoeken zijn. Dat ze uit Krooswijk komen, speciaal hiervoor. Dat hij al foto´s heeft gemaakt van het graf van een oorlogsslachtoffer, dat interesseert hem. Hij praat te hard.
Zegt dat hij nu Antonie nog even snel wil scoren zodat ze naar huis kunnen. Schrikt dan van zijn eigen woorden. Uiteindelijk geeft hij het op, hierin aangemoedigd door zijn vrouw die hem op zijn mobiel belt en zegt nu echt naar huis te willen.
In alle rust loop ik verder, de vogels fluiten.
Ik wil graag naar Judith, de overleden vrouw van Kluun. Zij was een hele goede vriendin van Ex, ik was nog op hun bruiloft. Ik wil me door haar levenslust laten inspireren.
De vrouw die zei: geef geen dagen aan het leven maar leven aan de dagen.
Een man komt naar me toe. ´Mag ik je wat vragen? Weet jij waar Antonie Kamerling ligt?´
Het is een fijne man. Gewoon een fijne man, met een rustige stem. We praten over Antonie, over begraafplaatsen, over rust. Ik noem hem het grafnummer, even zoeken we samen dan scheiden onze wegen.
Even later vind ik een grafnummer dat in de buurt komt. Ik kom de man weer tegen, hij zegt het nummer te zijn vergeten. Ik noem het, hij zegt dat hij het graf denkt te hebben gevonden. Samen lopen we er heen. Een persoonlijk graf. Geen steen met een naam, maar een beeld, een lamp, wat plantjes en heel veel roze bloesemblaadjes.
Samen staan we stil bij het leven en bij de dood. Dan laat hij me alleen.
Gemengde gevoelens.
Ik loop naar de uitgang, door het hek, langs de Amsteldijk, naar het park.
De zon is weg, de zonaanbidders zijn naar huis. Er zit een grote groep mensen op kleden. Stelletjes. Wijn en hapjes.
Voor me lopen een innig gelukkige jongen en meisje. Om de 10 meter staan ze stil om elkaar te zoenen.
Iemand aan wie ik later vertel waar ik geweest ben zegt me dat het toch meer om het leven zou moeten gaan dan om de dood.
Vanmiddag gaan die 2 nog meer hand in hand dan de 2 verliefde mensen voor me.