Sammy
Sammy


VANDAAG

EERDER LEVEN

ANDER LEVEN

MEE KIJKEN

MEE LEVEN
mei 2008

Donderdag 1 mei

Kijk, en als je het je niet voorneemt, dan gebeurt het wel.
Vroeg wakker. Dat ik vervolgens een paar uur redelijk nutteloos op de bank zit doet er niet toe.
Dan fiets ik naar het tuincentrum. Niet mijn favoriete tuincentrum, niet die met die gelukzalige route door het bos er naar toe maar die met de weg waar het altijd waait langs woning- en doe-het-zelf-winkels. Ik heb iets op tv gezien en de kans is aanwezig dat ze het daar verkopen.
Op Hemelvaartsdag naar het tuincentrum gaan is net zo stom als op 2e Paasdag. Het is druk. Bij de ingang een file van karretjes, al dan niet gevuld, want net naast de ingang staat een groot speelkussen en een poffertjeskraam. Binnen word ik regelmatig door een karretje voor mijn schenen gereden, klinken veel plat-Utrechtse klanken, huilen de kinderen, en stinken de volwassenen naar asbakken.
Ik doe heel erg mijn best me te beperken, niet mijn sterkste kant, maar het lukt vrij behoorlijk. Ik koop plantjes voor de potten in mijn tuin. Geel-witte plantjes. En potgrond.

Ik ben van symbolen, van dramatiek, het moge duidelijk zijn.
Toen ik voor het eerst mijn tuin bewust ging inrichten wist ik 1 ding duidelijk: ik wilde een treurwilg.
Pas heb ik alle dode takken verwijderd van de treurwilg.
Vandaag koop ik een clematis met kleine witte bloemetjes. Lijkt een beetje op een boerenjasmijn.
Ik ga deze planten bij de stam van de treurwilg. Ik vind het geniaal. Ik ga de bloemetjes verweven met de takken van de treurwilg.
En het deert niet dat de regen duidelijk hoorbaar neerdaalt op het dak van het tuincentrum. Kwestie van wat langzamer lopen en dan is het droog als ik naar huis fiets. En het deert niet dat de mensen raar naar me kijken, naar mij, en naar alle tassen aan mijn stuur. Ik kan zo goed kijken zonder te zien, en dit keer is dat niet erg.

En 's avonds hoor ik de regel die me op mijn lijf geschreven is, op mijn lijf:
Mens, durf te leven.

Vrijdag 2 mei

Wat doe je?
Je krijgt een bekentenis, iets wat kwetsbaar is voor degene die het met je deelt, iets waar je eigenlijk niet op zit te wachten.
Het is slikken.
Het past niet bij het plaatje dat je je hebt gevormd.
En het kost je moeite dat plaatje aan de passen, sterker nog, je wil dat niet, het is nu verpest.
Je mág degene die het je vertelt, je bent bezig een band op te bouwen, en dat maakt het des te moeilijker.
Je wilt de ander niet kwetsen, maar jezelf verloochenen kan ook niet.
Je maakt jezelf nog even wijs dat het niet uitmaakt, niet uit zou mógen maken, maar het werkt niet.
De oprechte belangstelling verandert in beleefdheid, je ziet het gebeuren, maar ingrijpen kan niet.
Daarmee zou je jezelf tekort doen, zou je het zorgvuldig opgebouwde beeld geweld aan doen.
Maar hoe zeg je dat?
Want dat is het, niet zozeer een kwestie van wat moet je doen, meer van hoe ga je het zeggen?
Ga je het zeggen, of laat je je verleiden tot de ogenschijnlijk gemakkelijke stilte.

Een stilte die haar toch al vertrouwd is.

Zaterdag 3 mei

Het is nog best druk in de trein van half 5 's morgens.
Heb een stoptrein, zo vroeg rijden er nog geen intercity's en nu kan ik een uur slapen in de trein, in plaats van een half uurtje.

Ik hoop met vroeg beginnen iets van mijn rust terug te krijgen. Nu is het zo dat ik bij het wakker worden direct aan bepaalde dossiers denk en de druk op mijn schouders ervaar.

Bij het station besluit ik een taxi te nemen. Erg decadent en ik doe het niet vaak, maar er rijden geen trams, ik heb me eerder op de afstand verkeken en ik wil gewoon geen tijd verliezen. De taxichauffeur kijkt me aan, vindt mij maar raar als ik het adres noem, vindt het waarschijnlijk te dichtbij. De man die er zelf uitziet alsof hij nooit een centimeter heeft gelopen. Kan dat?, vraag ik. Het is geen vraag, ik zeg het heel gedecideerd, beetje spottend zelfs, hij mag me niet weigeren. Het mag, zegt hij, stapt met tegenzin in. Hij heeft moeite zich in zijn auto te proppen en zijn stuur ramt zich in zijn enorme buik.
Ik ben om kwart voor 6 op mijn werk en het lukt me om de meest onrustmakende dossiers weg te werken. Daarmee heb ik nog geen rust, er staan er nog voldoende op de nominatie om ook de stap te maken van sudderen naar onrust.

Aan het eind van de weg voel ik hoe het vroege beginnen zijn of haar tol eist. Ik word stiller, ik kan een redelijk eenvoudige vraag nauwelijks meer beantwoorden, ik snak naar een dichte deur.
Ik ga na sluitingstijd snel weg. Had een goede stok achter de deur.
Had in het Dorp citaten gelezen uit een boek en op dat boek heb ik mijn zinnen gezet.
In de trein komt niets van lezen. Als ik in stap is het rustig, mijn ogen vallen dicht. Heel af en toe gaan ze open, zie dat bij het wegrijden in de coupé geen lege plaats meer te vinden is. Sterker nog, op de stoel naast me zijn 3 mensen gaan zitten, bovenop mijn tas. Ik ben me te zeer bewust van hun aanwezigheid, ze nemen veel ruimte in, ze zijn te dichtbij.
Om snel weer in slaap te vallen. Word weer wakker door gelach. Naast me zit opeens een man, heel hard te lachen in zijn eentje. Later blijkt dat hij Fokke en Sukke zit te lezen.

Met een ontzettend chagrijnig ik-ben-nog-lang-niet-wakker gezicht fiets ik via de winkel naar huis.
Blader wat in het boek.
Het begint goed.

Door middel van romantisch fatalisme vermijden we de ondenkbare gedachte dat de behoefte om lief te hebben altijd voorafgaat aan onze liefde voor iemand in het bijzonder.

Uit: Proeven van Liefde door Alain de Botton

Zondag 4 mei

Vandaag ontferm ik me over de klimop. Er zitten wat dode stukken in maar staat er verder wel prachtig bij met wit/roze bloemetjes aan de talrijke ranken. Ik probeer weer enige orde aan te brengen aan de takken, leid ze langs draadjes, maak nieuwe draadjes.
Het is een zelfhechtende klimop.
Ik ben zelf ook een ontzettende hechter en het komt me telkens weer duur te staan. Hoe meer ik hecht, hoe harder men wegrent.

Hoewel, enige nuance is hier op z'n plek.

In vriendschappen ben ik geen hechter. Ben er slecht in, ben een slechte onderhouder.
Bij mannen heb ik snel de behoefte om te hechten, en soms hecht de man even mee, om dan vooral heel snel weer los te laten, en soms ook maakt de man in kwestie al dan niet subtiel duidelijk dat hechten geen zin heeft.
Tegelijkertijd ben ik erg gesteld op mijn onafhankelijkheid. Mijn zelfstandigheid.
Maar ben het zelfstandigst als ik een relatie heb.
Het vrijst als ik me veilig voel, en het veiligst als ik me geborgen voel, bij iemand.


Maandag 5 mei

Ze is licht in het hoofd.
Loopt onzeker over straat, alsof ze gedronken heeft.
Werkt tussen de 50 en 60 uur per week en nog is het niet genoeg.
En als ze niet werkt staan haar hersenen niet stil.
Het waren maar een paar woorden, maar er ging een wereld achter schuil.
Ze weet dat het kwaad aanricht als ze ze niet uitspreekt.
Weet ook dat het geen zin heeft ze niet uit te spreken.
Je kan het zwelgen noemen, daarnaast zijn het feiten, ze kent ze, uit het verleden, en ook de reacties erop.
De feiten worden dankbaar aangepakt, en ieder ander zal dat begrijpen.
Het is bijna alsof ze zich moet verontschuldigen, voor wie ze is, voor hoe ze eruit ziet.
Ze is zo moe maar kan het niet doorbreken.
Op ieder woord een tegenargument.
Stiekem zoeken naar een ontkenning maar altijd de bevestiging vinden.
Weten dat ze dan kennelijk niet hard genoeg zoekt, of er niet voldoende van overtuigd is dat het te vinden is.

Het litteken op haar borst doet pijn.
Ze huilt als ze klaarkomt.




Dinsdag 6 mei

Als de verliefdheid zo snel toeslaat, komt dat misschien doordat de wens om lief te hebben de geliefde vooraf is gegaan - de behoefte heeft haar eigen bevrediging opgelost.
Het verschijnen van de geliefde is slechts een tweede stap van een eerdere [maar grotendeels onbewuste] behoefte om iemand lief te hebben - onze honger naar liefde kneedt dat gezicht, ons verlangen ontleent daarom zijn vorm.

Uit: Proeven van Liefde door Alain de Botton

Woensdag 7 mei

Door middel van romantisch fatalisme vermijden we de ondenkbare gedachte dat de behoefte om lief te hebben altijd voorafgaat aan onze liefde voor iemand in het bijzonder. Onze partnerkeus speelt zich noodzakelijkerwijze af binnen de grenzen van wie we toevallig ontmoeten. (...) Mijn vergissing was geweest dat ik een voorbestemming om lief te hebben had verward met een voorbestemming om een bepaalde persoon lief te hebben.

Waarom voorkwam dit besef dan niet dat ik verliefd werd?
Omdat het gebrek aan logica en de kinderlijke aard van mijn verlangen lichter wogen dan mijn behoefte om te geloven. Ik kende de leegte die de romantische illisie kon vullen, ik wist hoe verfrissend het was om iemand te vinden, wie dan ook, om te bewonderen.

Wie verliefd is op zekerheid kan het terrein van de verleiding maar beter mijden. Ieder woord en elke glimlach blijkt een weg te zijn die naar een dozijn, zo niet naar twaalfduizend mogelijkheden leidt. Gebaren en opmerkingen waar in het normale leven (dat wil zeggen, een leven zonder verliefdheid) niets achter zit, vormen nu in woordenboeken eindeloze reeksen met mogelijke betekenissen. En in elk geval voor de verleider zijn de twijfels terug te brengen tot één centrale vraag, die tegemoet getreden wordt met het angstige gevoel van een misdadiger die op zijn vonnis wacht: Begeert hij/zij me wel of niet?

Zodra men naar tekenen van wederzijdse aantrekking gaat zoeken, kan alles wat de geliefde zegt of doet praktisch alles betekenen. En hoe meer ik naar tekenen zocht, des te meer er waren om te interpreteren.

Wanneer we iemand vanuit een positie van onbeantwoorde liefde bekijken en ons de genoegens indenken die ons deel zouden kunnen worden als we met die persoon in de hemel waren, hebben we de neiging één belangrijk gevaar over het hoofd te zien: hoe snel hun bekoring zou kunnen verbleken als hij of zij onze liefde zou gaan beantwoorden. We worden verliefd omdat we graag aan onszelf willen ontsnappen met iemand die even mooi, intelligent en geestig is als wij lelijk, dom en saai zijn. Maar als zo'n volmaakt schepsel nu ineens besluit dat het ook op ons verliefd is?
We kunnen slechts ietwat geschokt zijn - hoe kan het schepsel zo geweldig zijn als we hoopten als het zo'n slechte smaak heeft dat het iemand als ons goedkeurt? Als we om lief te kunnen hebben moeten geloven dat de geliefde ons op de een of andere manier overtreft, ontstaat er dan geen wrede paradox als die liefde wordt beantwoord? De vraag dringt zich op: Als hij of zij echt zo geweldig is, hoe kan het dan dat hij of zij van iemand als ik houdt?

Onbeantwoorde liefde mag dan pijnlijk zijn, het is wel een veilige pijn, omdat men zelf de enige is die beschadigd wordt, een eigen pijn die even bitterzoet als zelf-teweeggebracht is. Maar zodra liefde wordt beantwoord moet men bereid zijn de passiviteit van het alleen maar gekwetst wórden op te geven en de verantwoordelijkheid op zich te nemen van het zelf kwetsen.

Uit: Proeven van Liefde door Alain de Botton


Donderdag 8 mei

Ik kijk steeds maar even naar het rooster voor volgende week.
Iedereen is er dan weer, en ik de hele week een soort van achter de schermen.
Toch zijn mijn tranen van vanavond niet van opluchting.
Ik ben gebroken.
Is ook niet raar.
Ben iedere avond thuis om kwart over 12. Kan dan niet meteen naar bed, lig daar dan op z'n vroegst pas om 1 uur in, te stuiteren.
Wekker gaat om kwart over 5 en om kwart over 7 ben ik aan het werk.

Het is niet goed, ik zie het nu zelf ook.
Ik kan bedenken dat werk werk is, en dat er een leven naast is.
Maar als ik dingen laat liggen komen ze de volgende dag keihard weer terug en ik merk ook dat het rommelig is met allerlei onaffe dossiers, al dan niet van mij.

Terwijl ik overwerk zit ik bij de openstaande achterdeuren. Ik hoor vrolijke mensen op het terras vlak achter de winkel.
Iemand tokkelt op een gitaar.
Ik kijk nog 1 keer op het rooster.

Vrijdag 9 mei

Op mijn 12e schreef ik in mijn dagboek: ik ben lelijk.
Het begin van mijn pubertijd, het begin van mijn bewustwording.
Of ik het echt was, weet ik niet, ik kan het niet beoordelen, maar ik herinner me de overtuiging nog levendig.
Die overtuiging verdween niet toen de pubertijd plaatsmaakte voor een vorm van volwassenheid.

Ik aarzel wat, wil het even over mijn ouders hebben, maar het voelt niet helemaal eerlijk, te makkelijk om hen hier dingen te verwijten.
Zo bedoel ik het ook niet, zie het meer als een verklaring. Het feit dat ze me nooit hebben aangeraakt, nooit hebben gezegd dat ze van me hielden. Me hebbengezegd dat ze met grote broer en grote zus geen problemen hadden gehad en dat met mij ook niet wensten te hebben. Dat zeiden ze overigens op het moment dat die problemen er al lang waren.
Ik heb het hier al vaker geschreven, de stilte die viel als mijn moeder boos was. De stilte die me bepaald heeft, die me heeft doen kruipen, die me gemaakt heeft tot een kameleon die de kleur aanneemt van anderen om maar niet op te vallen. Om maar in de smaak te vallen.

Mensen vragen me wel eens hoe ik hier zo open kan zijn.
Irriteren zich aan mijn openheid als ze er zelf een rol in spelen. Ik kan me dat goed voorstellen.
Ik vergeet wel eens dat ik over anderen schrijf. Dit schrijven is meer een zelfonderzoek. Is het uitvergroten van zaken, van emoties in een poging het leven daarna weer tot normale proporties te reduceren.
En hoe open ik hier ook ben over mij, altijd zal er een laagje zijn, een schil, een stukje helemaal van mij. Een stuk van mij waarop Sammy geen recht heeft. Men vraagt mij waarom ik mijn zelfonderzoek deel. Men noemt het zwelgen.
Ik weet het niet. Misschien de masochist in mij.

Mijn leven heeft altijd gedraaid om geaccepteerd willen worden. Gezien willen worden. Aangeraakt willen worden.
Als ik werd aangeraakt werd ik gezien en dacht ik te worden geaccepteerd. Door anderen. Kon ik mijn lelijkheid even ontkennen.
Het heeft geresulteerd in een paradoxaal iets. De overtuiging bleef, ik ging via anderen op zoek naar een ontkenning van die lelijkheid en bracht mezelf vervolgens in situaties die alleen maar een bevestiging opleverden.
Ging ik seks verwarren met liefde.
En aandacht verwarren met seks.

Zodra ik in contact kwam met een man ging het snel. Het grote aftasten. Wil hij me zien, wil hij me aanraken.
De verbittering als dat niet het geval was.
Het opleven als dat wel het geval was.
Wilde wel meer, maar maakte mezelf wijs erin te berusten dat dat niet ging gebeuren.
En toch hopen, toch verwachten.
En toch teleurgesteld zijn als het inderdaad niet ging gebeuren.
Als de man in kwestie met mij wel het bed kon delen maar niet het leven.
Als de man in kwestie leuk met mij kon schrijven maar de toets der echtheid niet durfde aan te gaan.

Ik ben dikker dan het hoort.
Dat is in de loop der jaren zo ontstaan. Misschien wel om die bevestiging van het lelijk zijn makkelijker te krijgen.
Om al het leed waar ik me in wentel te compenseren. Een kapstok.
Het is altijd een punt tijdens virtueel kontakt.
Het moment waarop er gesproken werd over een ontmoeting, over een foto zag ik de bui al hangen.
En die bui kwam ook altijd, de ongemakkelijke stiltes na de verzonden mail met bijlage, de afkeurende blik bij het aan komen lopen, het pijnlijke maar overduidelijke zoeken van de ander naar geaccepteerde redenen om af te kunnen wijzen.
Pas schreef ik met een man die zei dat mooi te vinden. Ik kon hem niet geloven, nog steeds niet. Denk dan dat dat leuk gezegd is, uit beleefdheid, of dat het een gedachte is die wel verdwijnt als je het echt ziet, als je het echt in handen hebt.

Ben sinds mijn nieuwe baan behoorlijk afgevallen. Is prettig, als je mensen hoort zeggen dat je er goed uitziet. Niet dat ik het geloof, want de onzekerheid is gebleven, maar het is weer eens een ander geluid.

En ik snap ook wel dat bij sommige mannen niet zozeer het dikker zijn het probleem is, maar wel hoe ik dat zelf ervaar, hoe spastisch ik daar in ben, hoe ik mijn eigen niet accepteren leg bij de ander en dat die ander verwijt.

Ik loop vast.
Ik kan het er in mijn kontakt met anderen niet over hebben maar daarmee stop ik een wezelijk deel van mezelf weg, een onzekerheid die nu eenmaal een rol speelt. Ik kan het er wel over hebben en haal daarmee het luchtige of het gelijkwaardige uit dat kontakt.
Sowieso lukt het mij niet om een (schriftelijk) ontmoeten ongedwongen te laten zijn, ik ben steeds op zoek naar antwoorden op vragen als 'vindt hij me leuk', 'meent hij dat compliment wel echt', 'zou ik met hem iets kunnen opbouwen' of nee, 'zou hij met mij een relatie willen en kunnen hebben'.
Zo kan ik iets leuks, iets dierbaars al snel verpesten met hoop en verwachtingen.

Ben ik nog steeds dat kind op zoek naar liefde.







Zaterdag 10 mei

Eindelijk verstandig.
Heb Grote Zus om hulp gevraagd, niet weer dat gedoe van al het gekochte aan mijn stuur zien te krijgen.
Grote Zus heeft een auto en die stouwen we vol.
Het postkantoor, waar een beeld voor me staat, de moderne versie van een Grieks tuinbeeld, met een slangetje en een pompje.
Het tuincentrum, zakken potgrond om de tuin te egaliseren, vaste plantjes in de kleuren wit en geel, een grote Gouden Regen.
De bouwmarkt, grote houten tegels voor onder de lange picknicktafel.

Het is gezellig samen.
Fijn ook om het persoonlijk weer even te hebben over de druk van het werk, over de patronen voortvloeiend uit de opvoeding.

In de tuin staan alle nieuwe aankopen.
Een vrouw met een pompje en een slangetje. Geen idee hoe daar nu water bij komt.
Ik val in slaap.
Heb nog wat in te halen.

Zondag 11 mei

Egaliseren valt nog niet mee. Ook al gooi je nog zoveel nieuwe grond op de ongelijke delen van de tuin, zodra je er een stap zet is er al een ongelijkheid.

De eerste stap is al best een grote. Alles wat in die hoek staat weghalen. Zoveel is dat niet, maar het is wel onhandig groot. 2 Lange banken en een tafel. Zo'n picknicktafel, biertafel.
Terwijl ik de grond die nu is vrijgekomen schoffel om zo los te maken, stuit ik op worteldoek. Heel nuttig, dat worteldoek maar het zorgt ook voor ongelijke grond. De grond zakt naar het midden, en de zijkanten krullen om. Daarnaast blijft mijn schoffel steeds hangen in de rafels van die zijkanten. Het doek laat zich niet makkelijk verwijderen. De aarde erop maakt het zwaar. Maar het lukt me. Natuurlijk lukt het me.

Als de grond los is, probeer ik deze zo gelijk mogelijk te verdelen. Maar da's moeilijk te beoordelen als je er van bovenaf op kijkt.
Ik laat me vallen op de aarde met een lat in mijn handen.
Ga als een stucadoor met een rei de pleisterlaag glad probeert aan te brengen, zo ga ik met mijn latje over de grond, daarmee ongelijkheden opsporend. Die vul ik op met de zaterdag gehaalde grond, speciaal geschikt voor ophogen.

Dan leg ik het worteldoek weer terug en 1 voor 1 de houten tegels van 1 bij 1 meter terug. Ga op iedere tegel die ik terugleg staan om te zien of het nog wiebelt en prop er nog aarde bij als dat het geval is.

Als alle tegels liggen kijk ik nog eens goed. Heb het idee dat de tegels op zich wel rechtliggen maar dat het geheel afloopt.
Ben bang niets te zijn opgeschoten, dat de uren werk voor niets zien geweest.
De neiging tot weglopen onderdrukkend schuif ik de eerste bank op z'n plek. Niet helemaal recht en stabiel, maar beter dan hiervoor.
De tafel staat eigenlijk best goed en de 2e bank ook.
Niet voor niets de blaren op mijn handen.
Ik ruim de ergste rotzooi op, in mijn hoofd steeds: morgen ook vrij!

De fysieke arbeid geeft iets meer rust in mijn hoofd, kennelijk zit daar de grootste vermoeidheid.



Maandag 12 mei

Aan het einde van de dag staan alle plantjes erin, is het merendeel van het onkruid in vuilniszakken gestopt en die zakken weer in bakken.
Het ziet er zo opgeruimd uit, zo niet Sammy.

Het ziet er uitnodigend uit.
2 Dingen.
Verzorgen.
Zorgen dat ik tijd heb om van dit te genieten.

Dinsdag 13 mei

Albert Camus opperde dat we op mensen verliefd worden omdat ze van buiten af gezien zo heel lijken, zowel lichamelijk heel als emotioneel volwassen, waar wijzelf ons zo verward en verbrokkeld voelen. Omdat we een samenhangend verhaal missen, een evenwichtige persoonlijkheid, een vaste richting, een thematische eenheid, begiftigt onze fantasie de ander met zulke kwaliteiten.

Uit: Proeven van Liefde door Alain de Botton

Ik weet nog dat ik heel veel jaren geleden ooit eens achter iemand aan ben gelopen in Hoog Catherijne.
Een man.
Het had niets met verliefdheid of aantrekkingskracht te maken, hoewel, wel een zekere aantrekkingskracht maar dan niet in de zin van lust of liefde.
Het was een mooie man. Een man die zo'n zelfstandigheid uitstraalde. Ik wilde hem niet aanspreken, ik probeerde niets te bereiken met het achterna lopen, ik wilde alleen maar even kijken. Ervaren.

Ik ontdekte Ex in een groepje mensen. Hij straalde ook die zelfstandigheid uit. De spanning tussen ons nam toe. Onze eerste date samen zou hij me gaan vertellen waarom het tussen ons niets zou kunnen worden. Het liep anders.

Het is raar.
Ik reageer allergisch als ik stelletjes alleen nog maar in de wij-vorm hoor praten. Dat je als je een afspraak maakt met de één automatisch de ander erbij krijgt. Ben heel erg gesteld op individualiteit en kan ontzettend goed alleen zijn.

Als ik nadenk over een ideale relatie, die natuurlijk niet bestaat, maar toch, dan wonen we samen in 1 huis met het liefst ieder een eigen woonkamer en slaapkamer. Zodat er voldoende ruimte is om op jezelf te zijn en omdat je zo altijd de keuze kunt maken om al dan niet bij elkaar te zijn. Dat lijkt me gezond, die keuzemogelijkheid.

Maar uit ervaring weet ik ook dat ik, als ik onzeker word binnen een relatie, me behoorlijk aanhankelijk ga gedragen. Irritant om iemand heen kan hangen, ik hoor de verwijten van Ex nog. Dan ga ik hengelen naar aandacht, zoals bij mijn moeder als die een paar dagen niets tegen me zei als ze boos was. Dan is individualiteit opeens iets heel anders dan zelfstandigheid.
Het lijkt tijdens verliefd worden te gaan om overeenkomsten, maar zoeken we in de ander niet dat wat we zelf denken niet te hebben?


Woensdag 14 mei

Ik heb mezelf voorgenomen om deze week niet of nauwelijks over te werken.
Moet een patroon doorbreken.
Merk nu pas goed hoe hard het nodig is.
De uren die ik nu opeens thuis zit worden nog niet enorm gevuld met hobbies.
Die uren merk ik vooral hoe moe ik ben en dat ik herstellende ben.
Dat er afstand komt.
Ik kijk naar de tuin, en verzorg de planten.

Donderdag 15 mei

Op de bank staan nog de spullen die Grote Zus meebracht.
Spullen van haar, spullen van mijn ouders die verdeeld zijn, en die ik met de trein niet mee kon nemen.
Een koelbox. Handig, aangezien ik altijd vroeg of die meekon als ik een familie-uitje organiseerde.
Een grote doos met spelletjes.
Monopoly, waar de Kalverstraat nog maar 400 euro kost, Mens-erger-je-niet, en Bingo, met de houten rondjes cijfers in een washand.
Toen ik nog thuiswoonde speelde ik iedere zondagmiddag spelletjes met mijn moeder. Als ik haar wilde paaien koos ik Scrabble, zij won altijd.
2 Mappen met daarin de gebundelde jaargangen 1940-41 en 1950-51 van De Spiegel.
En 5 boeken van Fenna Feenstra, gekregen van een tante, geleend door Grote Zus.
Romantische meisjesboeken met mooie wijsheden over ontlijkende liefdes, fijn om te lezen als je niet meer overwerkt.

Vrijdag 16 mei

Bij de lampenzaak blijkt mijn optimisme of naïviteit maar weer eens.
Even 2 lampen ophalen, op weg naar de stad voor een borrel naar Ex.
De vrouw achter de balie haalt het pakket en komt met een doos terug die onmogelijk in de weliswaar grote maar niet groot genoeg meegebrachte boodschappentas gaat passen.
De vrouw vertelt me hoe jaloers ze op me is. Ze heeft de doos opengemaakt zodra deze binnenkwam, was zo nieuwsgierig en vindt mijn aankoop zo leuk. Ze roept er een collega bij en maakt de doos opnieuw open. Die collega is minder enthousiast maar durft dat niet te zeggen. Ik houd me enkel bezig met het vervoersprobleem.
De vrouw reikt me de doos aan, ik zet deze achter op mijn bagagedrager en loop weg.
Loop om het hoekje, een andere straat in, langs het water. Zet de doos op een bankje, mijn fiets er tegenaan.
Pak de grote boodschappentas, open de doos en krijg met veel moeite alle onderdelen in de tas. Vouw alle karton tot een pakketje, wil het stiekem onder de bank achterlaten, maar schaam me daar zo voor dat ik het meeneem. Loop verder richting stad. Zie een papierbak, zo één grotendeels onder de grond. Ik parkeer mijn fiets weer, wil de bak openen maar deze blijkt op slot. Blijkt alleen te openen voor mensen met een pasje. Ik durf het nauwelijks te bekennen, maar ik leg mijn karton ernaast en fiets weg. Het schaamrood op mijn wangen, mijn hart bezwaard, ik fiets naar de stad.
Doe mijn biecht bij Ex.
Het glaasje wijn staat al klaar.


Zaterdag 17 mei

Een paar dagen geleden zaten 2 mensen tegenover me, van mijn leeftijd schat ik. Ze hebben hun baan opgezegd, hun boederij verkocht en gaan nu in 3 jaar de wereld over. Een stukje daarvan hebben ze via ons geregeld. Ze komen nu de tickets halen en vertrekken diezelfde avond. Ik probeer me er een voorstelling van te maken, probeer niet al te afgunstig te klinken, probeer goede laatste woorden te zeggen.
Vandaag kijk ik op hun website.
Ze zijn in Stockholm nu. Hebben het, natuurlijk, ontzettend naar hun zin.
Doen een oproep op hun site. Je mag ze een opdracht geven, zoals bungeejumpen in Nieuw Zeeland of worstelen met een Mongool. Daar zet je een geldbedrag op in. Zij leveren op hun site het bewijs voor het behalen van de opdracht en met het gewonnen geld kopen ze spullen voor de plaatselijke bevolking.

Reizen maken kan altijd nog, hun manier van leven, hun vrijheid is iets om nu meteen mee te beginnen.

Zondag 25 mei

Grote Zus neemt me mee vandaag, ik weet niet waarheen.
Tijdens de treinreis geeft ze me om de zoveel tijd een hint op een papiertje.
We gaan naar een tentoonstelling van Regina José Galindo.
Deze kunstenares uit Guatemala vraagt aandacht voor de onderdrukking van vrouwen. Ook maakt ze statements over geweld, onrecht en onderdrukking in het algemeen.
Ze doet dit op een confronterende manier via performances.
Zo sloeg ze zichzelf op de Biënnale 279 keer met een zweep, 1 voor iedere vrouw die dat jaar vermoord was.
Liet ze zichzelf als vuilniszak op de gemeenschappelijke vuilstort dumpen.
Kerfde ze het woord Perra (hoer) met een mes in haar bovenbeen om zo aandacht te vragen voor de vrouwen die vermoord worden teruggevonden met inscripties in hun vlees gekrast.

In haar nieuwste werk gebruikt ze niet haar eigen lichaam.
In de video en de foto's is te zien hoe ongeïdentificeerde lichamen in plastic zakken in de grond verdwijnen. De kunstenares zorgde ervoor dat ook deze mensen een steen kregen met daarop de tekst: Guatemala 2007, XX.

Het werk intrigeert (video waarin ze op straat alle haren van haar lichaam scheert), doet ook gruwelen (video waarin ze haar maagdenvlies laat herstellen) en ik hoop maar zo dat het effect heeft op de mensen die verandering kunnen brengen.


Zondag 18 mei

Tante wordt 80 vandaag.
Dit is een bijzondere tante.
Ze heeft een behoorlijk aantal jaren gewerkt in Zuid Afrika, Zululand, kinderen op de wereld gezet. Heel veel kinderen.
Ik heb veel bij haar gelogeerd. Nam ze me mee naar de zonnebank als compensatie voor een vakantie met haar die niet door kon gaan. Verwende ze me met een glas champagne als ik in bad zat. Nam ze me later alsnog mee op vakantie. Troostte ze me in mijn verdriet om het overlijden van de naamgever van deze site.

Op haar 60e werd ze verliefd. Voor het eerst, zo zijn de verhalen. Ze zijn getrouwd en genoten vol van het leven. Reizen, uit eten, leuke dingen doen. Jaarlijks naar Zuid Afrika, om de kinderen daar te helpen.
Haar man was geweldig, zo hoffelijk, zo intens genietend en veel te vroeg overleden.

Vandaag een groep mensen bij elkaar. De vrienden en kennissen van Tante, mijn familie en de familie van haar overleden man. Mooie jongens met mooie vrouwen, een beetje gypsy-achtig.
Het was voor mij heel vroeg op, er zijn werkzaamheden op het spoor, en in plaats van direct richting Rotterdam te kunnen reizen, moet ik eerst naar het Noorden om dan pas weer Zuidwaarts te kunnen gaan. Meer tijd om te slapen.
Ik ben vroeg, zit op een bankje in de zon aan het water. Is dit de Maas? Topografie was niet mijn sterkste punt, het is maar goed dat ik geen kinderen heb, ik zou ze niets kunnen bijbrengen. Niets over vogelnamen of andere dieren of van bomen. En nog over heel veel andere dingen niet.
Ik loop naar de aanlegplaats van de boot waarmee we naar de Kinderdijk zullen varen.
Ben me ervan bewust dat ik alleen ben, dat ik altijd alleen aankom, zie anderen als stellen komen.
Niet zielig, wel alleen.

De gesprekken met mijn familie gaan vooral over de drukte op mijn werk. Men vindt mij zo afgevallen, ik kan het niet vaak genoeg horen.
Bijkomend voordeel van zoveel werken.
Terwijl ik een leuk gesprek heb met mijn nichtje gooi ik in mijn enthousiasme mijn kop thee om, over de jas van mijn neefje. Mijn schoonzus moppert, terecht, hoewel mijn nichtje zegt dat dat nergens voor nodig is. Ik kruip in mijn favoriete rol van Zwart Schaap.

Mijn vader wordt iedere keer ouder en ik zie iedere keer meer sporen van zijn Parkinson.
Grote Broer en Grote Zus vragen zich tijdens de wandeling af waar hij is. Mijn moeder zegt dat ze zich daar niet de hele tijd druk om kan maken.
Ik zie het niet maar hoor dat hij aan het einde van de Kinderdijk gevallen is. Hij heeft wat schaafwonden, en een verbogen bril. En een zorgvuldig verborgen geknakt ego.
Ik hoor het niet maar het schijnt dat later een vrouw naar hem toe is gekomen en heeft gezegd dat hij straks wel moet lachen op de groepsfoto. Mijn moeder bijt verrassend genoeg van zich af, zegt dat dat bij zijn ziekte hoort. Daarom juist, zegt de vrouw en loopt weg. Grote Zus en ik willen de vrouw slaan, maar mijn moeder zegt niet meer te weten wie het was.

Mijn vader is niet mijn meest geliefde familielid, en vanuit dat gevoel heb ik hem wel eens tekort gedaan maar ik mag niet (meer) ontkennen dat ook hij gevoelens heeft, dat hij dit soort dingen hoort en zich aan zal trekken.

Na de boottocht ga ik naar huis, te moe om nog mee te gaan voor een borrel.
Zo moe, mijn ogen doen pijn.
En niet alleen mijn ogen.

Maandag 19 mei

De hele nacht zo'n pijn dat ik toch maar naar het inloopspreekuur van mijn huisarts ga.
Ze noemt alle mogelijke opties maar wil toch dat ik het laat onderzoeken.
Een paar uur later sta ik weer op een voor mij helaas bekende plek, met mijn tiet geplet en misvormd tussen 2 koude doorzichtige plaatjes.


Dinsdag 20 mei

Vandaag zou Annie 70 jaar geworden zijn.
Met het vertrouwde gezelschap zitten we om de tafel, lekker eten erop, flessen wijn, shag en sigaretten.
Het wordt zoals altijd laat en heel gezellig.
En wat maakt het uit, ik slaap toch nauwelijks. Zodra ik draai doet het pijn in mijn borst en de kat wil 's nachts ook nog wel eens over me heen lopen. Ik wil me geen zorgen maken, maar als je niet in slaap valt komen de zorgen vanzelf.

Woensdag 21 mei

Dronken van vermoeidheid.
Loop echt een beetje te waggelen, en mijn hoofd is een niet optrekkende stofwolk.
Probeer niet te denken dat dit een straf is omdat ik mijn vrouwelijkheid te grabbel heb gegooid.
Probeer niet te denken aan een hobbelig lijf en een tiet met hobbels.
Probeer überhaupt niet meer te denken.
Het lukt vrij behoorlijk.

Donderdag 22 mei

Het voordeel van een paar uur slapen op de bank is dat ik dan wat minder draai. Nadeel is dat het niet echt verstandig is voor mijn rug maar voordeel daarvan weer is dat de aandacht van andere pijn wordt weggeleid en afgeleid.

Vandaag ben ik iets helderder en ik werk ook weer wat over. Er begint een einde te komen, nee, in zicht te komen, van de stapel dossiers.
Werken is ook een stuk lekkerder als je weet dat je de komende 3 dagen vrij bent.

Thuis word ik weer verwelkomd door de bank, blijf er de hele nacht hangen.


Vrijdag 23 mei

Vorige keer dat ik hier was zocht ik met Grote Zus nog naar de worm die verstopt zat in een hele drukke kindertekening.
Vorige keer maakte ik nog volop grapjes, maar da's wat lastig als je alleen bent, en ik ben er ook te moe voor. Werd vanmorgen om 9 uur wakker op de bank en hoewel ik nu wel geslapen had voelde het niet zo want kleren nog aan en een gebroken lichaam.
De arts tegenover me maakt ook geen grapjes, heeft duidelijk haast en ik ben er één van de velen.
Hij denkt van niet maar er zit wel iets en dat hoort er niets en hij kan nog niets uitsluiten.
Dus krijgen we volgende week weer het gedoe met het mesje en het weefsel.

Zaterdag 24 mei

Hoe bijzonder om te zien hoe 2 mensen na 25 jaar nog zo oprecht van elkaar houden.
Die enkele intense blik, die alles zegt, en zo ontroerd.
Ik heb vanavond een 25 jarig huwelijksfeest, volgend weekend weer maar wat een verschil in mensen, wat een verschil in levens.
Vandaag mijn bazen, volgende week Grote Broer en zijn vrouw.
Wat voel ik me hier beter thuis.

Ik krijg zelf ook nog kado's, ik voel me jarig. Terecht.

Vorig jaar had ik mijn dierbaren om me heen, groot feest, volop aandacht.
Ben er nu te moe voor, lag het liefst in bed.

Op de terugweg beland ik in een grote groep Oranjefans. Ze komen bij me in het halletje staan, roken, drinken, vragen. Vragen naar mijn leeftijd. Ik kan het niet laten te zeggen dat ik vandaag een nieuwe leeftijd heb bereikt. Ze zingen voor me.

Als ik het station uitloop kijk ik naar boven. Er is een zich voortbewegend licht aan de hemel. Het is geen vliegtuig, dat is snel duidelijk. Het is niet 1 licht, direct daarachter is een 2e, en daarachter een 3e en een 4e.
Ik blijf staan. Meer mensen blijven staan en we kijken allemaal naar boven, zijn stil, op een paar oranjefans na.
Ik wil eigenlijk ook niet weten wat het is, ik probeer het een teken te laten zijn, voor mij, en dat hoeft verder geen naam te hebben.



Maandag 26 mei

Ik ontvang de proefdruk van mijn boek.
Weliswaar te laat, maar dat kan gebeuren en het wordt opeens wel reuze echt.
Ik maak me geen illusies, ik heb de verkoopcijfers gezien, het is een aardigheidje.
Maar die moet wel kloppen.
Dus kijk ik niet alleen naar woorden, maar ook naar letters, en naar leestekens.
Ken mijn zwakke plekken, dat en wat, ene in plaats van een en ," in plaats van ",
Mag nog maar een beperkt aantal wijzigingen aanbrengen.
Probeer me puur op de vorm te richten, op dat wat er staat en niet op dat wat het betekent.
Wat achter de letters schuilgaat.
De behoefte tot deleten wordt dan te groot.


Dinsdag 27 mei

Mijn bazin dringt er op aan dat ik een week verlof ga nemen op korte termijn.
Ik heb zoveel overgewerkt en er is van alles gebeurd, ik kan het gebruiken.
We spreken een week af, eind juni.
Ze drukt me op het hart om dan vooral iets leuks te gaan doen.
Ik moet me met de drukproeven bezighouden vanavond maar zit ook te googlen op bestemmingen en aanbiedingen.
De wereld opent zich.

Woensdag 28 mei

Bij het naar mijn voordeur lopen kom ik een boven-bovenbuurvrouw tegen. Dus niet direct boven mij, maar daarboven en daar dan naast.
Ze heeft zich al eens luidkeels voorgesteld, ze heeft een zeer typisch stem- en woordgebruik. Ze vertelt luid en duidelijk en herhaaldelijk dat ze in een woongroep heeft gezeten en dat ze nu onder begeleiding zelfstandig mag wonen. Dat het een schande is van de vorige bewoner, die met schulden zomaar verdwenen is, ja, is toch raar, als je rekeningen krijgt moet je die toch gewoon betalen, ja.

Haar die ik een een beetje probeer te vermijden, en vooral als ik moe ben na een drukke dag, haar kom ik nu tegen. Haar stem galmt door het portiek. Ze zegt dat ze ook een katje wil weten. Dat haar bewindvoerder moet beslissen of ze dat financieel gaat redden maar dat die nu nog 2 weken op vakantie is. Dat ze al iemand heeft die voor het katje wil zorgen als zij er zelf niet is, en of ik dan de 2e wil zijn.

Ik ben een slappeling. Ik zeg ja hoor, als ik er tenminste ben, ik ben er nauwelijks.
Ze hoort vooral het ja, zegt dat ze in september een weekje weg zal zijn, ik zeg meteen dat ik dan niet zal kunnen omdat ik dan zelf ook weg ben maar ze zegt dat ze zodra ze groen licht heeft van haar bewindvoerder wel even langs zal komen zodat we onze vakanties op elkaar af kunnen stemmen.

Ik maak me zo snel mogelijk van haar af, heb een tas met kouder wordende nasi in mijn hand als goed excuus.
Vestig mijn hoop op de bewindvoerder.

Donderdag 29 mei

Soms brengt een combinatie van mensen het beste in je naar boven, of in ieder geval een mooie concentratie.
Ik buit die uit, werk sinds een tijdje weer eens over, en krijg de zaken, de dossiers eindelijk weer een beetje onder controle.
Het maakt me overmoedig, ik vraag Ex of hij zin heeft mee te gaan op vakantie eind juni.

Vrijdag 30 mei

Vorige keer dat ik hier lag maakte ik nog grappen.
Zei ik nog dat ze na iedere keer weefsel ophalen zo hard duwden om bloeduitstortingen te voorkomen dat de knobbel zo wel zou verdwijnen.
En het is niet zo dat ik nu ongeruster ben, eigenlijk integendeel, ik denk de uitslag al te weten, ik wil alleen nog maar van die verdomde pijn en vermoeidheid af. Ik wil niet meer dat ieder gesprek daarover gaat en dat ik me geremd voel door mijn lichaam hoewel dat eigenlijk mijn hele leven al zo is.
Ik wil me niet zo bewust zijn van mijn lichaam.

Zaterdag 31 mei

Na het werk ga ik bij Ex langs om zijn nee, ik ga niet mee in ontvangst te nemen.
Ik snap zijn motivatie, heeft werkelijk niets met mij te maken, en ik voel me nog geeneens afgewezen.
Verander een heel klein beetje de plannen maar zeg ze niet af.
Bij mij zit het risico niet zozeer in alleen reizen, maar meer in het reizen met anderen.