Vrijdag 9 mei
Op mijn 12e schreef ik in mijn dagboek: ik ben lelijk.
Het begin van mijn pubertijd, het begin van mijn bewustwording.
Of ik het echt was, weet ik niet, ik kan het niet beoordelen, maar ik herinner me de overtuiging nog levendig.
Die overtuiging verdween niet toen de pubertijd plaatsmaakte voor een vorm van volwassenheid.
Ik aarzel wat, wil het even over mijn ouders hebben, maar het voelt niet helemaal eerlijk, te makkelijk om hen hier dingen te verwijten.
Zo bedoel ik het ook niet, zie het meer als een verklaring. Het feit dat ze me nooit hebben aangeraakt, nooit hebben gezegd dat ze van me hielden. Me hebbengezegd dat ze met grote broer en grote zus geen problemen hadden gehad en dat met mij ook niet wensten te hebben. Dat zeiden ze overigens op het moment dat die problemen er al lang waren.
Ik heb het hier al vaker geschreven, de stilte die viel als mijn moeder boos was. De stilte die me bepaald heeft, die me heeft doen kruipen, die me gemaakt heeft tot een kameleon die de kleur aanneemt van anderen om maar niet op te vallen. Om maar in de smaak te vallen.
Mensen vragen me wel eens hoe ik hier zo open kan zijn.
Irriteren zich aan mijn openheid als ze er zelf een rol in spelen. Ik kan me dat goed voorstellen.
Ik vergeet wel eens dat ik over anderen schrijf. Dit schrijven is meer een zelfonderzoek. Is het uitvergroten van zaken, van emoties in een poging het leven daarna weer tot normale proporties te reduceren.
En hoe open ik hier ook ben over mij, altijd zal er een laagje zijn, een schil, een stukje helemaal van mij. Een stuk van mij waarop Sammy geen recht heeft. Men vraagt mij waarom ik mijn zelfonderzoek deel. Men noemt het zwelgen.
Ik weet het niet. Misschien de masochist in mij.
Mijn leven heeft altijd gedraaid om geaccepteerd willen worden. Gezien willen worden. Aangeraakt willen worden.
Als ik werd aangeraakt werd ik gezien en dacht ik te worden geaccepteerd. Door anderen. Kon ik mijn lelijkheid even ontkennen.
Het heeft geresulteerd in een paradoxaal iets. De overtuiging bleef, ik ging via anderen op zoek naar een ontkenning van die lelijkheid en bracht mezelf vervolgens in situaties die alleen maar een bevestiging opleverden.
Ging ik seks verwarren met liefde.
En aandacht verwarren met seks.
Zodra ik in contact kwam met een man ging het snel. Het grote aftasten. Wil hij me zien, wil hij me aanraken.
De verbittering als dat niet het geval was.
Het opleven als dat wel het geval was.
Wilde wel meer, maar maakte mezelf wijs erin te berusten dat dat niet ging gebeuren.
En toch hopen, toch verwachten.
En toch teleurgesteld zijn als het inderdaad niet ging gebeuren.
Als de man in kwestie met mij wel het bed kon delen maar niet het leven.
Als de man in kwestie leuk met mij kon schrijven maar de toets der echtheid niet durfde aan te gaan.
Ik ben dikker dan het hoort.
Dat is in de loop der jaren zo ontstaan. Misschien wel om die bevestiging van het lelijk zijn makkelijker te krijgen.
Om al het leed waar ik me in wentel te compenseren. Een kapstok.
Het is altijd een punt tijdens virtueel kontakt.
Het moment waarop er gesproken werd over een ontmoeting, over een foto zag ik de bui al hangen.
En die bui kwam ook altijd, de ongemakkelijke stiltes na de verzonden mail met bijlage, de afkeurende blik bij het aan komen lopen, het pijnlijke maar overduidelijke zoeken van de ander naar geaccepteerde redenen om af te kunnen wijzen.
Pas schreef ik met een man die zei dat mooi te vinden. Ik kon hem niet geloven, nog steeds niet. Denk dan dat dat leuk gezegd is, uit beleefdheid, of dat het een gedachte is die wel verdwijnt als je het echt ziet, als je het echt in handen hebt.
Ben sinds mijn nieuwe baan behoorlijk afgevallen. Is prettig, als je mensen hoort zeggen dat je er goed uitziet. Niet dat ik het geloof, want de onzekerheid is gebleven, maar het is weer eens een ander geluid.
En ik snap ook wel dat bij sommige mannen niet zozeer het dikker zijn het probleem is, maar wel hoe ik dat zelf ervaar, hoe spastisch ik daar in ben, hoe ik mijn eigen niet accepteren leg bij de ander en dat die ander verwijt.
Ik loop vast.
Ik kan het er in mijn kontakt met anderen niet over hebben maar daarmee stop ik een wezelijk deel van mezelf weg, een onzekerheid die nu eenmaal een rol speelt. Ik kan het er wel over hebben en haal daarmee het luchtige of het gelijkwaardige uit dat kontakt.
Sowieso lukt het mij niet om een (schriftelijk) ontmoeten ongedwongen te laten zijn, ik ben steeds op zoek naar antwoorden op vragen als 'vindt hij me leuk', 'meent hij dat compliment wel echt', 'zou ik met hem iets kunnen opbouwen' of nee, 'zou hij met mij een relatie willen en kunnen hebben'.
Zo kan ik iets leuks, iets dierbaars al snel verpesten met hoop en verwachtingen.
Ben ik nog steeds dat kind op zoek naar liefde.