Sammy


VANDAAG

EERDER LEVEN

ANDER LEVEN

MEE KIJKEN

MEE LEVEN


Donderdag 6 maart

Vorige week was ik ziek. Het plafond in mijn hoofd kwam letterlijk naar beneden, ik keek scheel, ik zag er niet uit, ik kotste al mijn eten uit.
Griepverschijnselen vermengd met iets te lang en te hard werken waardoor de spanning zich in mijn lichaam had opgehoopt en een uitweg zocht.
Gedurende die dagen heb ik nagedacht.
Het moet anders.
Het kan niet zo zijn dat mijn leven blijft bestaan uit werken en slapen.
Ik wil ruimte in mijn hoofd, rust.
Ik wil op zoek gaan naar mijn stilte en me niet langer verstrikt voelen in de stilte van een ander.

Vandaag heb ik een lang gesprek gehad met mijn werkgever. We hebben een regeling getroffen.

Ik ga op reis.
Ik ga onderweg zijn.

Zondag 9 maart

Reizen maakt een beetje melancholisch.
Bíjna reizen ook.

Nog 1 dag werken, althans werken in de oude vorm. Daarna 1 dag vrij en woensdag vertrek ik.
Ik ben dit vrije weekend aan het voorbereiden, lees me in, licht mensen in, pak in.
Regel een oppas voor Poes. Heb haar verteld wat ik ga doen, probeer geen verwijt te lezen in haar ogen.
Koop een kaart van het land van mijn bestemming en teken er mijn route op.
Doe wasjes zodat de kleren die meegaan ook daadwerkelijk schoon meegaan.
Ruim het huis op, moet netjes achterlaten.

Het kriebelt in mijn buik.
Het is de angst en de leuke spanning van het op pad gaan, nieuwe paden.
Van nieuwe dingen ondernemen, van nieuwe mensen leren kennen en ondertussen heel dicht bij jezelf blijven.
Heel dicht bij jezelf kómen.

Reis naar het einde van de wereld.
Reis naar de kern van mezelf.


Maandag 10 maart

Herinnering aan Holland

Denkend aan Holland
zie ik breede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,
rijen ondenkbaar
ijle populieren
als hooge pluimen
aan den einder staan;
en in de geweldige
ruimte verzonken
de boerderijen
verspreid door het land,
boomgroepen, dorpen,
geknotte torens,
kerken en olmen
in een grootsch verband.
de lucht hangt er laag
en de zon wordt er langzaam
in grijze veelkleurige
dampen gesmoord,
en in alle gewesten
wordt de stem van het water
met zijn eeuwige rampen
gevreesd en gehoord.

Hendrik Marsman

De komende weken ben ik in Ierland.
Denkend aan Ierland zie ik groene glooiende weides, grote grove stenen, pubs en whiskey. Ik zie hardwerkende politiek geëngageerde of verbitterde mensen, ik zie mannen met zwart golvend haar tot net boven de schouders. Ik hoor melancholische muziek die ook hoorbaar is in de zangerige taal die ik niet versta maar wel proef. Ik zie dorpjes, wilde paarden, ik voel wind en ik voel regen, ik ervaar een wijdsheid en een vrijheid.

Waarom associeer ik Ierland met die vrijheid? Met romantiek en mystiek?
Ik heb mezelf ten doel gesteld dat te onderzoeken. Daarnaast heb ik een duidelijke opdracht van mijn werk en beperkte tijd. Dit is een soort studiereis, terwijl over ruim 2 weken een echte vakantie begint, een rondreis door Engeland.

Poes schuurt haar kopje langs de randen van de steeds voller wordende rugzak.



Dinsdag 11 maart

Tussen het laatste dingen inpakken en Poes knuffelen in verdiep ik me in de geschiedenis van het land waar ik morgen naar vlieg.
Ik wil begrijpen, voor zover dat te begrijpen is, waar de conflicten die breeduit in de media onder de aandacht zijn gebracht op zijn gestoeld.

Tijdens de ijstijd waren Engeland en Ierland nog verbonden aan het vasteland van Europa. Na het smelten van het ijs en het stijgen van de waterspiegel werd Ierland een eiland. Voor zover bekend kwamen de eerste mensen rond 3000 v Chr. aan. Gaandeweg kwamen er steeds meer mensen van het vasteland naar het eiland, daarmee diverse gebruiken en nieuwe technieken meenemend.
Vanaf 800 v Chr. kwamen de Kelten. Zij hadden ijzeren wapens en paarden en veroverden het land en onderwierpen de oorspronkelijke bevolking. Er zijn veel legenden over de Kelten, en de Ieren schijnen nog steeds trots te zijn op hun Keltische oorsprong.

De Kelten leefden volgens het clansysteem in kleine koninkrijkjes. Er was niet 1 grote koning. Er was een verdeling in 3 klassen: de áes dána (o.a. druïden, muzikanten en dichters), de vrijen (krijgers) en de onvrijen of slaven.
Na de ineenstorting van het Romeinse Rijk komt het christendom. De Paus stuurt een christelijke missionaris. Zijn opvolger, St. Patrick, werd bisschop van Ierland en zou later als gevolg van het vele zendingswerk dat hij verrichtte, uitgroeien tot de nationale heilige van het land. Ierland ontwikkelde zich tot een 'eiland van heiligen en geleerden' en St. Patrick's Day (17 maart) is nu de nationale feestdag.
Na de snelle verspreiding van het christendom en de stichting van de vele kloosters in Ierland en zelfs daarbuiten, brak een rustige periode aan van voorspoed die ook wel het Gouden Tijdperk wordt genoemd. De Ieren waren redelijk welvarend en het land was sinds het Stenen Tijdperk niet meer binnengevallen of geplunderd. Door de problemen op het vasteland van Europa (o.a. de volksverhuizing) vluchtten vele geleerden en kloosterordes naar Ierland, waardoor kunsten en wetenschap opbloeiden. De kunst van het schrijven en het illustreren bereikte een zeer hoog niveau.

Rond 800 na Chr. vallen de Vikingen Ierland binnen. Ze plunderen de kloosters en richten de eerste steden op. Ze gaan deel uitmaken van de bevolking. In 1002 na Chr. roept de koning van de provincie Munster zichzelf uit tot 'opperkoning' en hij verdrijft de Vikingen. Hij bouwde scholen, wegen en bruggen en zorgde voor een rechtspraak.
Na zijn dood twisten de andere provinciale koningen om de macht. De Paus bemoeit zich ermee en er komt een verdeling van het eiland in 4 bisdommen. Dit zijn de huidige provincies.
In 1155 na Chr. draagt de Paus het gezag over aan Hendrik II van Engeland. Hendrik geeft zijn Ierse bezittingen aan zijn zoon Jan zonder Land. Als deze onverwacht koning van Engeland wordt, valt Ierland direct onder de Engelse kroon.

Mede door invloed van de Paus is Ierland overwegend katholiek. In Engeland ontstaat de Anglicaanse kerk en dit leidt tot conflicten en verdeeldheid in Ierland. Maar Hendrik VIII weet de Ierse adel aan zich te binden en roept de Anglicaanse religie uit tot staatsgodsdienst.

De Ierse maatschappij bestaat in de 19e eeuw uit een kleine, protestantse, bovenlaag en een grote katholieke onderlaag. Er is nauwelijks een middenklasse. De leefomstandigheden van de onderklasse zijn zeer slecht. In Dublin, na Londen de tweede stad van het Britse Rijk, is het niet ongewoon om met dertig tot veertig mensen een huis te delen. Op het platteland zijn de omstandigheden zo mogelijk nog slechter. Het land is grotendeels eigendom van protestantse edelen, die vaak zelf in Engeland wonen. De bevoling leeft en overleeft met name van en door de aardappelteelt. In 1845 mislukt de aardappeloogst grotendeels vanwege een tot dan toe onbekende ziekte, de aardappelmoeheid. Het jaar daarop mislukt de oogst volledig. Omdat de plattelandsbevolking nauwelijks alternatieven heeft, leidt dit tot een zeer ernstige hongersnood. Naar schatting heeft Ierland in 1840 ongeveer 8 miljoen inwoners. In 1850 wordt het inwonertal geschat op 6 miljoen. Het verschil zou voor de helft veroorzaakt zijn door sterfte, en voor de andere helft door massale emigratie.

De hongersnood is een extra impuls voor het streven naar een gelijkere verdeling van het land. Ook komt er een streven naar zelfbestuur. Tot twee keer toe wordt een wet voor zelfbestuur aangenomen door het Lagerhuis in Londen, maar beide keren sneuvelt het voorstel in het Hogerhuis. Het gebrek aan politiek perspectief leidt tot een opbloei van de eigen cultuur. Een groep schrijvers rond W.B. Yeats en Lady Gregory zoekt en vindt hun inspiratie in de oude Keltische mystiek. De Gaelic League wordt gesticht mede met als doel de eigen Ierse taal Iers te ondersteunen. Door het hele land worden nationale scholen opgericht waar Iers een verplicht vak wordt. Dit nieuwe nationalisme, vooral gegrond op de Ierse eigenheid, zorgt ook voor een opleving van de radicale stroming in de politiek. Sinn Féin (betekent wij, onszelf) wordt in deze periode opgericht, maar is oorspronkelijk nog geen republikeinse partij.

In 1912 wordt een wet aangenomen waarbij heel Ierland zelfbestuur krijgt. Die wet leidt tot groot verzet in de provincie Ulster, verzet dat overigens wordt geleid door een Dubliner en in Engeland van harte ondersteund wordt door de Conservatieve Partij. In het vooruitzicht van de naderende wereldoorlog durft de Liberale Partij de protestanten in Ulster niet voor het blok te zetten. De Ierse partij moet lijdzaam toezien hoe gepraat wordt over een aparte regeling voor het noorden van het eiland. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog betekent uitstel van het zelfbestuur. De leider van de Ierse Partij roept alle Ieren op om het Koninkrijk te helpen in deze zware tijden door dienst te nemen in het leger.

Bij de algemene verkiezingen in november 1918 wordt Sinn Féin verreweg de grootste partij. De oude Ierse partij wordt vrijwel weggevaagd. De leden van Sinn Féin weigeren plaats te nemen in het parlement in Londen en vormden hun eigen parlement in Dublin. In de loop van 1919 wordt het steeds onrustiger. Steeds vaker worden er aanslagen gepleegd op Britse doelen. De Britten reageren daarop met vergeldingsacties door het inzetten van troepen. In 1920 neemt het Britse parlement een wet aan waarbij het eiland in tweeën wordt gedeeld. Het noorden krijgt zelfbestuur en behoudt een nauwe band met Londen. In het zuiden komt een eigen parlement in Dublin, waarbij Zuid-Ierland een status zou krijgen vergelijkbaar met Canada en Australië.
De verdeling van het eiland is voor veel Ieren onacceptabel. Ook de status, waarbij een band blijft bestaan met Londen, gaat velen niet ver genoeg. De wet wordt daarom niet geaccepteerd en de onrust groeit uit tot een ware onafhankelijkheidsstrijd.
In het voorjaar van 1921 breekt bij een aantal kopstukken van Sinn Féin het besef door dat langs militaire weg hun doel niet bereikt wordt. Dat leidt tot vredesbesprekingen die in december resulteerden in een verdrag. Het verdrag betekent dat het zuiden akkoord gaat met de creatie van een protestantse staat Noord-Ierland waarin de grote katholieke minderheid bewust tot tweederangs burgers wordt gemaakt.
Binnen Sinn Féin en binnen de IRA bestaat grote tegenstand tegen het verdrag met Engeland. Door die verdeeldheid ontstaat een burgeroorlog. Deze oorlog laat diepe littekens achter: hoge werkloosheid, een gebrek aan industriële ontwikkeling en een voortgaande emigratie.

De zestiger jaren in Noord-Ierland beginnen hoopvol. In 1964 wordt de Campaign for Social Justice (campagne voor sociale gerechtigheid) gelanceerd. Deze heeft tot doel de positie van de katholieken op de terreinen van werkgelegenheid en huisvesting te verbeteren. Het uitblijven van wezenlijke vooruitgang brengt de katholieken tot de slotsom dat er meer druk moet worden uitgeoefend om echte hervormingen te bewerkstelligen. Er worden protestmarsen en protestdemonstraties georganiseerd. De Noord-Ierse autoriteiten zien deze protesten als een regelrechte bedreiging. Men ziet deze beweging als een politieke voorhoede van de IRA.
De overwegend uit protestanten bestaande Noord-Ierse politie, de Royal Ulster Constabulary (RUC), treedt hardhandig tegen deze protestmanifestaties op. En als reactie op de optochten gaan ook de protestanten marsen organiseren. Dit leidt tot gewelddadige confrontaties tussen de beide groepen.
In februari 1969 wordt de gematigde premier O’Niell gedwongen af te treden. De nieuwe regering van James Chichester-Clark verbied alle katholieke demonstraties, maar de Oranjemarsen mogen gewoon doorgaan.

In 1983 behaalt Sinn Féin onder leiding van Gerry Adams de overwinning bij de verkiezingen voor het parlement van de Ierse Republiek. Voor de premier van Groot-Brittannië, Margaret Thatcher, is dat een reden om onderhandelingen te openen met de regering in Dublin. Dit resulteert uiteindelijk op 15 november 1985 in de ondertekening van het Anglo-Ierse Verdrag. Hiermee wordt voor het eerst formeel aan de regering van de Ierse Republiek het recht op een raadplegende rol in Noord-Ierse aangelegenheden toegekend. De unionisten (politieke aanhangers van de organische eenheid van het Verenigd Koninkrijk, de Union) in Noord-Ierland reageren woedend op het Verdrag. Ze voelen zich door de Britse regering in de steek gelaten en verraden. In hun beleving is de invloed die de Republiek door het Verdrag krijgt een eerste stap op weg naar een verenigd Ierland en is het Verdrag een overwinning van het IRA. Ze uiten hun woede en frustratie door middel van massale protestdemonstraties, stakingen en gewelddadige acties.

In 1998 komt het tot een Goede Vrijdag Akkoord. Dit historische akkoord wordt ondertekend door de Britse en Ierse regering en onderschreven door de meeste Noord-Ierse politieke partijen. Het Verdrag vormt de basis voor de huidige regeringsvorm in Noord-Ierland, een systeem waarbij katholieken en protestanten samen de macht delen. Op grond van het verdrag blijft Noord-Ierland deel uitmaken van het Verenigd Koninkrijk, maar krijgt het zelfbestuur. In datzelfde jaar vinden de eerste verkiezingen plaats voor een Noord-Iers parlement, de Northern Ireland Assembly. Dominee Paisley en zijn medestanders van de andere unionistische groeperingen, stellen zich verkiesbaar, omdat ze deelname aan de Assemblee als het enige middel zien om het Goede Vrijdag Akkoord te dwarsbomen. Ze zijn zo fel tegen het akkoord omdat het volgens hen te veel toezeggingen doet aan de katholieken.
Onderdeel van het Akkoord is ook dat gewerkt wordt aan de ontwapening van de IRA.
Maar een aantal maanden later is er nog nauwelijks sprake van daadwerkelijke ontwapening door het IRA en daarom besluit de Britse regering om het Noord-Ierse parlement op te heffen. Na intensieve onderhandelingen verklaart de militante tak van de IRA dat het zijn wapens buiten gebruik zal stellen en dit opent de weg naar de herinstallatie van de Assembly op 30 mei 2000. Het blijkt een loze toezegging, de Ira weigert zich te ontwapenen.

Na de islamitische terroristische aanslagen van 11 september op het World Trade Center en het Pentagon ontstaat er een enorme druk op de militanten van de IRA om het geweld definitief af te zweren en zich te ontwapenen. Hieraan wordt uiteindelijk gehoor gegeven.

Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_Ierland en
http://www.00457.06sc.thinkquest.nl/index.php?id=2

Woensdag 12 maart

Het begrip turbulantie heeft vandaag een hele extra lading gekregen.
Voor het eerst naar Rotterdam Airport, want goedkoop vliegticket.
Het is lange tijd nog maar de vraag of we mogen opstijgen. Mijn ouders hopen van niet, ik van wel, ik ben een bikkel, ik wil op reis.

Uren later dan gepland gaan we dan toch de lucht in. Het vliegtuig schudt en protesteert en waait met alle winden mee.
Eindelijk een keer geen schreeuwende kinderen, geen mensen die zich stoerder voordoen dan ze zijn, geen applaus bij de landing.
Drukte bij de wc, en witte gezichten bij het verlaten ervan.

Het is dan ook al donker als ik aankom.
Ierland.
Het is er nat, het waait, ik loop naar het hotel.
Mijn eerste indrukken bestaan uit nat weer, gladde keien op straat, toeterende auto's.




Donderdag 13 maart

Wakker worden in een vreemde wereld.
Het klinkt en het ruikt hier echt anders. En de mensen kijken anders uit hun ogen. Denk ik.
Ik heb het idee dat de blik in de ogen wat pittiger is, enigszins brutaal, uitdagend.

Ik gebruik deze dag voor de doelen van mijn werk, bekijk de hoogtepunten van de stad en keur een aantal hotels.
Het regent, het waait, maar het is goed. Ik heb me er op ingesteld. Niet zoals Italië vorig najaar, waar ik hoopte op zon en rust en nog veel meer.

Dublin heeft een aantal mooie gebouwen. St. Patrick's cathedral. De statige Georgian Houses op Merrion Square. Trinity College, de universiteit die lijkt te zijn weggelopen uit het decor van een aflevering van Inspector Morse.

Ik ga naar de National Library.
Ik houd van boeken. Ik houd van mensen met muren vol met boeken.
Ik was ooit eens in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Waar je bij de ingang je tas moet achterlaten.
Waar je stil bent. Hoort te zijn. Ik kan niet zo goed tegen horen zijn. Word ik opstandig van, en in dit geval giechelig. En onhandig. Zoals ik opeens tegen een prullenbak aanknal.
Deze ruimte, de National Library, is adembenemend.
Het heeft de vorm van het Collosseum maar hier zijn de wanden rondom tot ongeveer 3 meter hoogte gevuld met boeken.
De vloer is gevuld met antieke bureau's, ingelegd met groen leer. Op ieder bureau staat een lamp en een houten rekje waar je je boek tegen kunt laten rusten.
Ik schaam me voor de echo die de klik van mijn fotocamera teweeg brengt.

Ik loop in deze stad, in dit land ook rond met een eigen agenda.
Ik hoop iets te vinden.

But I still haven't found what I'm looking for.

Misschien ligt het daarin besloten. Ligt het niet vinden in het wel op zoek zijn. Niks zoekt en gij zult vinden.
Zoals je ook het beste uitrust als je dingen onderneemt.
En je het beste naar buiten gericht wordt als je de deur naar binnen open doet.


Vrijdag 14 maart

Vandaag mag ik dingen doen die mijn eigen interesse hebben.
Ofwel dingen die een ander mens waarschijnlijk niet zullen bekoren.
In het noordwesten van de stad staat het Rotunda Hospital.
De eerste kraamkliniek van Europa, althans de eerste die speciaal voor dit doel is gebouwd.
Ok, de kapel heeft mooie gebrandschilderde ramen, en ja, Frans Liszt heeft hier lang, heel lang geleden een concert gegeven.
Maar waarom ik hier naar toe wil is vanwege de pub er tegenover, Conway's Pub. Hier zitten aanstaande vaders te wachten tot ze hun kind mogen wiegen en hun vrouw mogen bewonderen vanwege de geweldige prestatie die ze zojuist heeft geleverd.
Kennelijk is het hier minder de gewoonte dat de mannen bij de bevalling zijn. Of de Ierse vrouwen kunnen hun mannen tijdens deze uren slechter verdragen.
Het is nog vrij vroeg als ik de deur van de pub open. Er zitten vrijwel enkel mannen, alleen, voor zich uit starend, een poging doen een krant te lezen. Ik zie donker bier in de glazen voor ze, of een helder goedje in een kleiner glas. De mobieltjes liggen voor ze op tafel.

Een paar weken geleden had ik een nieuw mens in mijn armen. Een meisje van ongeveer 5 weken oud. Ik durfde het niet te vragen, mijn collega's hadden haar al gevoeld en toegelachen maar toen was het etenstijd.
Kennelijk was de hunkering zichtbaar geweest en werd het kind mij aangeboden.
Mijn armen vouwden zich vanzelf om het lijfje heen. Ik kijk in 2 heldere blauwe ogen. Streel het gezichtje, pak een vingertje, wrijf over haar buikje. Houd haar heel dicht tegen me aan als ze huilt. Flirt ondertussen met haar broertje, dat vanachter een stoel naar me staat te kijken.
Mijn lichaam hongert, mijn ziel weent.

Af en toe staat een man gehaast op, na een piep van zijn mobiel. Hij haalt snel nog wat euro's uit zijn broekzak en legt ze naast het half geleegde glas.

De hele situatie brengt me terug naar een ander gebouw, een ander land, een andere tijd.
Een iets andere situatie ook.
Er zitten vooral stelletjes, soms een vrouw alleen. Er wordt vooral gezwegen, en een beetje stiekem uit ooghoeken gekeken. Een naam klinkt, en een stel staat op. Ongeveer 20 minuten later komt de man terug, gaat weer zitten, pakt een Donald Duck. Een half uur later verschijnt de vrouw in de deuropening. De man haast zich naar haar toe en ze verlaten zwijgend het pand.
Het pand met het bord Medisch Centrum op de gevel, en een bord met Consultatiebureau voor Seksualiteit en Anticonceptie.

Ik beweeg me vandaag buiten de stad.
Ik heb iets met gebouwen waar een bepaalde geheimzinnigheid om heen hangt. Waar je meestal niet in mag. Kloosters, gevangenissen.
Buiten Dublin is een voormalige gevangenis. Een aantal Ierse onafhankelijkheidsstrijders hebben er gevangen gezeten.
Ik ga er met de bus heen. De chauffeur waarschuwt me bij het ziekenhuis en wijst me hoe ik moet lopen. Een laan leidt me naar de gevangenis. Een grijze steenmassa.
Er heerst nog iets van het oude regime, je mag er niet vrij rondlopen. Ik word bij een groepje luidruchtige Amerikaanse toeristen gevoegd en voor ik het weet zit ik in een rondleiding. De rondleider is een oud bewaarder, een kleine man in grijze broek en blauwe trui en een rammelende sleutelbos. Hij vertelt zijn verhalen zonder enig enthousiasme.
Ik probeer zijn droge verhaal en de overgeïnteresseerde Amerikanen buiten mijn aandachtsveld te laten. Ik probeer alleen nog maar de prachtige ruimte te zien. Een ovalen vorm, een koepel, glas van boven en gietijzeren bogen. 4 Verdiepingen. In het midden een lange trap tot aan de 3e verdieping. Op mijn vraag waarom deze niet doorloopt tot de 4e krijg ik geen antwoord.
We lopen door de kapel, krijgen het verhaal van Joseph Plunkett, één van de leiders van de Paasopstand, die er trouwde een paar uur voor zijn executie. Alle andere leiders zijn hier ook allemaal omgebracht, zoals de zwaar gemartelde James Connolly die op de binnenplaats vastgebonden aan een stoel werd doodgeschoten. We schuifelen langs strafcellen en door de ruimte waar gevangenen werden opgehangen.
De ex-bewaarder vertelt het zonder enige schaamte.

Ik heb een tijd geschreven met gevangenen in Amerika. Het was een poging om inzicht te krijgen in het leven daar. Maar zij hadden andere interesses. De één liet weten langs te komen zodra hij vrij was en stuurde me een haarlok op. Ik schrok net zo hard als die keer dat ik als 8 jarige mijn hand in mijn jaszak liet glijden en voelde dat er een slak was gekropen uit de schelp die ik dat weekend van het strand had geraapt.
Een ander stuurde me een enquete over seksvoorkeuren en vroeg me dringend die in te vullen omdat hij een weddenschap had lopen met zijn medegevangenen. Daarna schreef ik met iemand in een dodencel. Hij was wel iets serieuzer, maar ik betrapte mezelf op een soort voyeurisme. Ik wilde weten wat hij gedaan had om daar terecht te komen, en hoe hij nu in het leven stond, met een mogelijk naderende dood. Maar hij wilde er niet veel over kwijt en soms waren ook zinnen van hem doorgestreept, gecensureerd. Het verwaterde, van mijn kant.

Ik ga met de bus naar Glencree, het beginpunt van de Military Road. De weg voert door het verlaten en ruige gebied van County Wicklow, en is een prachtig wandelgebied. Ik constateer dat dit een hele goede tip is voor mensen die hier via mijn werk naar toe zouden willen komen. In de zomer worden er fietsen verhuurd om het gebied te verkennen, nu helaas niet. Ik spreek een taxichauffeur aan, hij is wel bereid me hier langs de hoogtepunten te voeren. We onderhandelen even over een vaste prijs, lopen is geen optie aangezien het ieder moment ontzettend kan gaan regenen en het gebied er te groot voor is, maar ik ben niet wanhopig. Ik kan het ook bij de constatering laten dat het een mooi gebied is, en weer doorgaan naar de volgende bestemming.

De chauffeur vertelt geanimeerd, ik versta hem nauwelijks. Ik knik veel, en lach mee als hij zijn gehavende gebruinde tanden bloot lacht.
Ondanks de regendie nu langs de voorruit glijdt geniet ik van de watervallen, de betoverende bossen waar ik zo gelukkig van kan worden, het voormalige kloostercomplex van Glendalough en het schattige dorpje Clara, bestaande uit 2 huizen, een school en een kerk.

Met de bus ga ik door naar het plaatsje Glendalough, 'dal van de twee meren'. De meeste bouwwerken hier stammen uit de 8e tot de 12e eeuw, en er zijn dan ook veel ruïnes. Ooit moest ik in een therapeutische sessie het huis teken dat mijn lichaam het beste weergaf. Ik tekende een ruïne, de therapeute zag er de zelfhaat en het sarcasme niet van in. Raar eigenlijk, het was bedoeld als afbreuk aan mezelf, maar nu houd ik van vervallen panden. Iets verderop ligt een kerkhof. Veel scheefgegroeide onleesbare grafstenen. De kenmerkende smalle Round Tower, 30 meter hoog met een enkel klein raam. In het midden een piepklein gebouwtje, Priests' House. Hier werden de plaatselijke priesters begraven. Daar iets vandaan een zo mogelijk nog kleiner bouwwerk, een kapel, St. Kevin's Kitchen, zo genoemd omdat de klokkentoren lijkt op een schoorsteen. Kevin werd in 498 geboren en was lid van een koninklijke familie. Maar Kevin trok zich terug als kluizenaar in een grot bij Glendalough. Later stichtte hij hier een klooster en de plek is nog steeds het doel van bedevaarten. Over Kevin zijn meerdere legendes. Het verhaal bijvoorbeeld dat hij 120 jaar is geworden. Of dat, toen Kevin op een dag aan het bidden was, een merel in één van zijn uitgestrekte handen een ei legde. De heilige bleef heel stil zitten tot het jong was uitgekomen. Ook gaat het verhaal dat hij de toenaderingspogingen van een naakte vrouw heeft afgewezen door haar in een meer te gooien.

Met de bus weer terug naar Dublin. Ik eet een stoofpotje om de hoek bij mijn hotel. Zou nog wel een dagje willen blijven hier, maar nog zoveel te zien en nog zo weinig tijd.







Zaterdag 15 maart

Met de trein reis ik naar Kildare, een half uurtje vanaf Dublin.
Het is een historisch stadje met ongeveer 8000 inwoners.
Vooral de St. Brigid's Cathedral trekt de aandacht. Op de plek van de katehdraal was eerst een religieuze gemeenschap gevestigd. Het feit dat hier nonnen en monniken onder hetzelfde dak woonden was zeer omstreden, evenals een aantal heidense rituelen die hier werden uitgevoerd, zoals het eeuwig brandend houden van een vuur.
In de omgeving wordt veel aan paardenrennen gedaan.
In Tully staat zelfs een bedrijf (deels van de overheid) met de naam National Stud. In 1900 opgericht door een excentrieke kolonel die zijn veulens verkocht aan de hand van de stand van de sterren en die dakramen aanbracht in de stallen zodat de paarden aangeraakt konden worden door de zon en maan. Dekhengsten wachten in de paringsstal, elk van hen moet 100 merries per seizoen dekken.
In de omgeving verder nog een landgoed met Japanse tuinen. Ik ga er niet heen, het is mijn ding niet. Die dingen moeten tot rust brengen maar ik krijg de kriebels van dit soort van truttigheid en een soort van verplicht kalmeren. Zoals ik ook erg onrustig word van in bad liggen.

Ik lunch in Kilkenny.
Een stadje waar ik niet zo veel hoef te zijn, en zo'n tussenstop is fijn. Zoals het ooit in Zuid Amerika prettig was om tussen de woestijnen en zoutvlaktes af en toe in een stadje te komen. Daar heb je herkenningspunten, zit je niet aan je hele reisgezelschap vast, ben je gewoon even een toerist.
Ik kijk vluchtig rond in High Street, met veel winkeltjes en pubs en kleurrijke huizen. Iets buiten het centrum weer een kasteel met tuinen.

Ik voel me onrustig.
Misschien verwacht ik teveel een heilzame werking van deze reis. Verwacht ik door alleen op reis te zijn me ook direct goed te voelen bij dat alleen zijn. Me goed te voelen bij het dingen ondernemen.

Met een klein spoorlijntje reis ik verder naar het Zuiden, naar Waterford. Het havenstadje zelf is niet mijn doel, maar een goede uitvalsbasis voor een aantal andere dingen die ik hier in de omgeving wil zien. Het hotel ligt aan de oever van de rivier en vlak bij het centrum. Netjes, maar niet helemaal geschikt voor onze doelgroep.
Ik eet in een nabijgelegen restaurantje maar heb geen honger.
Ga met een onbestemd gevoel in bed liggen.

Zondag 16 maart

Ik sla het ontbijt over en ga vroeg met de bus naar Hook Peninsula, langs de Ierse Zee. Ik wandel door de dorpjes, er zijn nauwelijks mensen op straat, hoewel het droog is. De enigen die ik zie zijn oud en lopen gearmd naar de kerk, daartoe opgeroepen door de kerkklok.
Vlakbij het strand is het iets drukker. Vissers boeten hun netten, jonge stellen laten hun hond uit.
Mijn tranen zitten hoog, ik blijf maar lopen zonder mijn pijnlijke voeten te voelen.
Ik kijk de mensen die me tegemoet lopen niet aan.
Pas bij de prachtige zwart wit gestreepte vuurtoren houd ik stil. Ik ga tegen een muurtje zitten en pak een appel uit mijn tas.

Ik heb gedroomd vannacht.
Eerst over Goede Man. Ik ben op oudjaarsavond in een vreemde stad. Tenminste, ik denk dat het oudjaar is, het kan ook een willekeurig ander feest zijn. Er zijn wat bekenden, waaronder hij. Maar hoe later het wordt, hoe minder bekenden er over blijven. Daarmee wordt het voor mij ook steeds lastiger om nog thuis te komen, niemand meer met wie ik mee kan rijden. Ik vraag Goede Man, hij vindt het goed, maar als ik dan naar huis wil vind ik hem niet meer.
Ik bel hem, vrolijk neemt hij op. Ik zeg hem dat ik naar huis wil. Ik hoor het aarzelen. HIj zegt me dat hij inmiddels iemand heeft ontmoet bij wie hij kan blijven slapen. Aan zijn stem hoor ik dat het een vrouw is.
Ik hang op. Begin naar huis te lopen.

Later droom ik dat ik bij een man ben. Ik mag die man geloof ik wel. Ik doe boodschappen met hem. Op de parkeerplaats waar we zoeken naar een bushalte ga ik achter hem staan. Laat mijn hand in zijn broekzak glijden. Streel door de stof de huid die ik zo lekker vind aanvoelen, een lies, de zachte onbehaarde onderbuik, het voorland voor seks. Maar hij reageert geërgerd, wijst me af. Ik begin het op een rennen te zetten, mijn tassen met eten laat ik achter. Ik ren langs een drukke autoweg, langs weilanden met schapen, boerderijen, kom bij een kantorencomplex met veel trappen en hoeken op de ruimtes tussen de kantoren. Ik kijk om, de man nadert, ik probeer harder vooruit te komen.
Als ik wakker word heeft hij me nog niet te pakken.

Het is boffen dat het droog is vandaag, daardoor vaart er een boot naar de Saltee Islands. De eilandjes Great en Little Saltee zijn onbewoond en privé eigendom maar bezoekers van het grootste vogelreservaat van Ierland zijn welkom.
Ik zie er inderdaad veel vogels op de rotsen, weet geen enkele vogel te benoemen, en probeer mezelf wat kleiner en onbelangrijker te voelen bij het zien van de schoonheid en ruwheid van de natuur. Probeer mezelf te relativeren en daardoor wat rust in mijn hoofd te krijgen.
Vandaag gaat me dat niet goed af.
Ik zoek de kustlijn af naar een bekend gezicht.

Maandag 17 maart

Trein van half 7 naar Cobh.
Cobh is een havenplaatsje. Een mengeling van Italië en Oostenrijk. Beetje vakwerkachtige huizen met de kleuren en bravoure van Italië.
Vanuit deze plaats vertrokken emigranten naar Amerika. Dit was ook de laatste aanlegplaats van de Titanic voor de fatale reis.

Dan een ritje van ongeveer 20 minuten naar Cork.
Steegjes, grachten, pakhuizen en veel wit.
Overvolle marktkramen, hippe winkels en kleurrijke gevels, zoals Fitzpatrick's gele pand, een tweedehandswinkel met allemaal oude fietsen aan de voorkant.
Vanuit Cork maak ik een wandeling door het Gougane Barra Park, langs de rivier Lee. Park dekt de lading niet, ik noem dit een bos. Verwacht ieder moment een Robin Hood uit de bomen te zien zakken. Robin Hoods zijn meestal mooi, ik heb wel zin in een mooie man, heb er 1 duidelijk op mijn netvlies.

Ik loop door naar Blarney Castle. Dit vervallen kasteel wordt druk bezocht vanwege een legende. Er is een steen, Blarney Stone, en als je die kust schijn je wonderbaarlijk welbespraakt te worden.
De steen bevindt zich hoog in de muur van het kasteel. Wat ik van tevoren niet wist is dat ik moet gaan liggen, met een kussen onder mijn kont. Naast me op het kussen zit een bijna tandenloos mannetje. Niet echt een Robin Hood, maar hij houdt wel mijn middel vast, terwijl ik ver naar achter moet hangen om de bewuste steen te kunnen kussen.
Ik ben een beetje in een geile bui vandaag en had toch graag iets zachters gekust. Dan maar wat minder welbespraakt.

Ik ga naar mijn eindbestemming voor vandaag, Kinsale. Een populaire toeristenstad. Ik merk dat ik de steden een beetje zat ben, weer een haven, weer een ruïne, weer een hotel, en weer een bed, alleen.
Behalve een zweem van geilheid hangen er ook nog een paar woorden om me heen die ik gisteravond las voor ik in slaap viel. Woorden uit een boek van Karel Glastra van Loon:
Maar houden van is niet genoeg. Een kind dat niet gewenst is, wordt geboren met een gat in z'n hart. Daar kun je nog zoveel liefde in storten, dichten doe je het nooit.

Dinsdag 18 maart

Vandaag al heel vroeg weg. Heb een wat langere afstand af te leggen met een aantal tussenstops en alleen met bus bereikbaar.
Eerst naar Baltimore. In 1631 werden meer dan 100 inwoners als slaven weggevoerd door Algerijnse piraten. Nu komen er vooral zeilers.
In de zomer tenminste, het is er nu echt veel te slecht weer voor.
Wel geweldig weer voor Mizen Head, het zuidwestelijkste punt van Ierland.
Een witte spannende hoge brug, een idyllische vuurtoren en een wilde zee. Ik kan niet al te dicht aan de rand van de kliffen staan, er staat een harde wind, maar ik zie het water hoog spatten tegen de rotsen, de vogels laten zich met alle winden meewaaien, mijn dreads gaan ook alle kanten op. Wat een prachtige heftige natuur, ik word er klein van, ik voel mijn hart kloppen.

Ik had naar het eiland Garinish Eiland gewild. Een eiland met een exotische tuin, met Griekse zuilen, bloemen zoals op het eiland waar Sissi zit als ze bronchitis heeft en bij moet sterken, en follies. En soms zie je zeehonden langs de boot zwemmen. Maar ik zie niets. Er gaat geen boot. Het is te slecht weer. Dus staar ik wat naar het water, en fantaseer er het gladde lijf van een zeehond in. Fantaseer mezelf erbij, met een even glad en soepel lijf, genietend door het water glijdend.
Hoe ver kun je in fantasie afglijden van de werkelijkheid.

Door dan maar, naar Beara Peninsula. Een schiereiland vol met vissersdorpjes. Een gebied dat vroeger populair was bij smokkelaars, sardientjes werden geruild voor cognac.
Dit is nu echt het ruige Ierse landschap dat ik altijd voor ogen had. De landschappen uit de boeken van Daphne du Maurier of de Brontë Sisters. Hoewel ik niet weet of die in Ierland woonden.
Ik kijk om me heen. Waan me alleen. Ben ook alleen.
Open mijn mond.
Schreeuw.
Probeer de wind te overstemmen.
Tevergeefs.
Mijn adem probeert de kracht van de natuur op te zuigen, in me op te nemen.

Ik laat me nat regenen. Het voelt goed. Ik zou willen dat ik oploste.



Woensdag 19 maart

Ik sta heel vroeg op, of eigenlijk, ik maak eindelijk een einde aan een zo goed als slapeloze nacht.
Ik loop wat rond in Kenmare, het stadje waar ik ben blijven slapen. Klein hotel, boven een tweedehandswinkel.
Het motregent.
Aan de rand van het plaatsje, bij Market Street, op een open plek in het bos (kruiswoordraadselomschrijving voor het woord tra) bij de rivier staat de Druid's Circle.
Een prehistorische cirkel van 15 stenen. Het verhaal gaat dat hier vroeger mensen zijn geofferd. De stenen staan er als stille getuigen.
Dit draagt zeker bij aan het mystieke beeld van Ierland, alleen de naam druïden al. Terwijl het in feite alleen een soort priesters waren. Die zich heel erg met dingen uit de natuur bezighielden.

Ik loop naar 1 van de vele pubs in de hoofdstraat. Drink er een kop thee, en er komen al wat groepjes mensen binnen. Overduidelijk toeristen. Net als ik, vrees ik, ook al doe ik net of ik anders ben.
En met die toeristen stap ik in een bus. Een vreselijke bus, met een gids, een vrouw met een veel te harde stem en een microfoon, zonder de mooie zangerige Ierse klank in haar toon.
Het lot als je zelf geen rijbewijs hebt.
Ik probeer de anderen maar weg te denken, iets waar ik in het algemeen redelijk goed in ben.
Ik word door één van de mooiste gebieden gereden: de Ring of Kerry. Het is een dagtocht, en we worden regelmatig even vrijgelaten voor een fotostop en plaspauze. Ik ben steeds degene die wat van de groep af staat en die als laatste weer de bus in komt.
We zien cottages, een prachtige kloof in de bergen, stenen uit de ijzertijd en lieflijke dorpjes.
Zal ik dan toch nog maar mijn rijbewijs gaan halen zodat ik dit soort dingen niet meer in andermans gezelschap en in andermans tempo hoef te doen?

Ik ga niet helemaal mee terug naar Kenmare maar stap in Killarney uit. Mooie naam, en een ontzettend gezellig stadje. De mensen zijn er vrolijk en geven je echt een welkom gevoel. Het Heights hotel ligt tegen de uiteinden van de bergen vanuit de ontbijtzaal kijk je er prachtig op uit. Het heeft iets van een herberg, qua inrichting, qua sfeer, maar dan groter en moderner. De inpandige pub zit gezellig vol en de jongen van de receptie nodigt me uit om wat mee te komen drinken.
Als ik op mijn kamer ben is het verleidelijk om daar te blijven, om me, zoals gebruikelijk, te wentelen in veiligheid.
Maar ik doe het niet.
In de bar wordt meteen een barkruk voor me vrijgemaakt. De barman vraagt me wat ik wil drinken. Ik zeg dat ik wel eens een guinness wil proeven. Dat antwoord wordt met enthousiasme ontvangen. De met name mannen om me heen kijken hoe ik reageer op het zware donkere bier. Ik moet wennen aan de smaak, maar hoe meer ik krijg aangeboden, hoe makkelijker het door mijn keel glijdt. Ik versta de helft van de gesprekken niet maar babbel lustig mee. Mijn dubbele tong produceert vanzelf een Ierse tongval.
Ik heb vrienden gemaakt, vanavond.

Het is nog niet eens zo heel erg laat als ik naar mijn kamer probeer te komen, maar het licht in mijn hoofd is al even uit. De roosjes op het behang in mijn kamer zetten zich langzaam in beweging.

Donderdag 20 maart

Sta bij openingstijd bij het bezoekerscentrum van het Nationaal Park.
Huur er een fiets, en trap mezelf langzaam langs de meren van Killarney.
Mijn hoofd is gevuld met mokerslagen en het gesprek dat ik vannacht voerde met Anna.
Opeens was ze er, zaten we aan haar keukentafel, en voelde ik haar liefdevolle nietsontziende blik op me gericht.
Eerst waren er anderen bij, later alleen zij en ik. We hadden weinig woorden nodig.
"Hallo vrouw."
"Dag mooi mens."
Ze hoeft niet te vragen hoe het gaat, ik vraag haar juist hoe het verder moet, hoe ik verder moet. En natuurlijk heeft ze de antwoorden niet maar nodigt ze me uit ze zelf te durven zien.
En ik huil om mijn gedachten, mijn oplossingen.
Ik huil om mijn patronen, en ik huil om wat er overblijft als ik ze doorbreek.
Ik huil om mij, ik huil om haar, mijn god, wat mis ik haar.

Ik fiets langs de meren. Heb mijn walkman op.
Zet 1 nummer in de herhaling. En opnieuw. En opnieuw.

Ik reis naar Tralee. Laat het schiereiland Dingle links liggen, heb teveel tijd verdaan met huilen. Zou daar een les uit moeten leren.
Ga vanuit Tralee met de stoomtrein naar Blennerville, langs witte huisjes, een witte molen, natte weilanden. Vandaar ga ik door naar Ardfert, waar een prachtig groot kloostercomplex staat, althans de ruïne. Ik dwaal er wat rond, tot veel meer ben ik niet in staat vandaag.
Geef in zulke buien ook teveel geld uit en schrijf me daarom in bij een 4 sterrenhotel net buiten Ennis. Ligt op een landgoed. Ik wil even geen stad, geen mensen en geen bier.



Vrijdag 21 maart

Loop naar de bushalte, langs het Queen´s Hotel dat voorkomt in de Ulysses van James Joyce.
Van het platteland weer naar de kust, de Cliffs of Moher. Ze zijn 200 meter hoog en in de ochtendmist zien ze er erg indrukwekkend uit.
Ga verder met de bus door de Burren. Het woord betekent rotsachtig land en bestaat grotendeels uit een kalksteenplateau. Onder het plateau is een uitgebreid grottenstelsel. Door het weer zijn diepe spleten ontstaan in het kalksteen. Het regenwater sijpelt door het gesteente en zo zijn de grotten ontstaan. Het gebied verraadt dat de lente onderweg is, ik zie veel bloemen en planten bevolkt worden door knoppen, zie hun kleuren al verschijnen.
Verder met de bus, naar Kilmacduagh. Daar bevindt zich een prachtige grote monastieke nederzetting, daterend uit de 11e eeuw. Op het terrein een kenmerkende nog gave maar scheve round tower.
Neem een volgende bus verder richting Gort, nu naar Thoor Ballylee. Het is een burchttoren waar de dichter Yeats zijn zomers vaak heeft doorgebracht. Zijn vriendin Lady Gregory woonde in het park ernaast: Coole Park. In dat park staat een handtekeningenboom, met de initialen van o.a. George Bernard Shaw en Yeats. Ik ben wat argwanend, ik zou iedereen wel in deze boom kunnen kerven.
Moet denken aan het Knopenlaantje waar ik samen met BHV was. Waar geliefden (of mensen die hopen op geliefden) komen om een knoop in een tak te leggen om zo het verbond te bestendigen. Mijn knoop is er, mijn hoop is ver te zoeken.

En weer door, even wat eten in het lieve vissersdorpje Kinvarra. Sla wat natuur in de omgeving over en reis meteen door naar Galway, mijn eindbestemming voor vandaag.
Galway is gezellig, veel studenten en barretjes en oude gebouwen. Ik eet er zalm in een restaurantje in het centrum en loop in een paar minuten naar het mooie Victoria Hotel. Heb een kamer op de 3e verdieping en geniet van de lichtjes van het stadje.

Zaterdag 22 maart

Het is een hele mooie groene route naar de kust. Ga bij Clifden noordwaarts, en stap uit bij Kylemore Abbey. Een overweldigend mooi kasteel aan een meer. Gekocht door een plaatselijk parlementslid voor zijn vrouw. Verkocht na de zeer plotselinge dood van zijn vrouw en dochter. Nonnen uit Ieper namen er hun intrek tijdens de Eerste Wereldoorlog. Nu runnen ze er een meisjeskostschool. Ik wist niet dat die nog bestonden. Fascinerend fenomeen, een kostschool. Pitty, de Dolle Tweeling.
Helaas mag je er niet naar binnen, hooguit in de tuinen kijken.

Ik had gewild naar Inishbofin maar moet het skippen wegens tijdgebrek. De omschrijving sprak me aan. De naam betekent 'eiland van de witte koe'. Op het eiland woonde in de 7e eeuw een verbannen Engelse abt. Op de plek van het klooster bevinden zich nu een kerk, een kerkhof en een heilige bron. Bij de haven staat de ruine van een kasteel. In dat kasteel hield Cromwell katholieke priesters gevangen.
In de hooivelden schijn je de kwartelkoning te kunnen zien en horen.

Ik laat mij aan de voet van Croagh Patrick brengen, de heilige berg van Ierland. Het verhaal gaat dat St. Patrick 40 dagen op de berg heeft gebivakkeerd om te bidden voor de Ieren. Sindsdien maken boetelingen blootsvoets de pelgrimstocht naar de top.
Ik maak die wandeling niet, ook niet met schoenen aan, het duurt 2 uur voor je boven bent en die tijd en conditie heb ik niet.
Gelukkig staat het imposante beeld van de heilige aan de voet van de berg, blijft bijzonder, zo´n groot wit beeld met zalvende armen. Patrick kijkt uit de het land en het water.

Ik maak een mooie busroute langs de westkust naar Achill Island, naar het dorp Slievemore om precies te zijn. Het dorp ligt aan de voet van Slievemore Mountain en werd verlaten tijdens de grote Hongersnood halverwege de 19e eeuw. Ik ben benieuwd hoe een verlaten dorp eruit ziet. Moet denken aan Pompeji, waar de mensen verrast werden door de hete lava en ze werden vergiftigd dor een gaswolk die hierbij vrij kwam.
Hier geen lijken, althans niet zichtbaar, geen bonte gordijntjes voor de ramen, geen ramen uberhaupt. Afgebroken muurtjes die de contouren weergeven van huisjes op de glooiiende grond. Het besef van een geschiedenis, van leed, van honger. Als ik mijn ogen sluit hoor ik jammerende kinderen, ouders die het niet meer kunnen opbrengen om te sussen, mannen die met hun zware stemmen ´s nachts hun vrouw proberen te overtuigen dat ze mogelijk elders wel zullen kunnen overleven.

Ik ga verder naar het noorden en loop een stuk van de North Maya Sculpture Trail. In 1993 werden 14 beelden op een klif langs het water geplaatst. Ze staan op vrij grote afstand van elkaar, waardoor ze enorm tot hun recht komen. Ze zijn vooral gemaakt van natuurlijke materialen zoals hout en steen.
Ik laat mijn hand erlangs glijden, hier mag het, niemand ziet me, en ik probeer me niet opgejaagd te voelen door de tijd.
Maar ondertussen wordt het al wat donker en ik laat het hoogste klif van Europa bij Slieve League zitten. Ik reis meteen door naar Letterkenny, een stadje met een bijna witte kathedraal met een hele hoge torenspits. Het hotel heeft een rode, groene, gele en blauwe gevel. Na een beetje eten lig ik op bed nog wat te denken.
Ik denk terug aan hoe ik aan deze reis begon. Verdrietig, nieuwsgierig, uitgeput.
Op zoek naar het mystieke en romantische van Ierland. Maar ook op zoek naar de rust in mezelf, naar het loslaten van anderen.
Ik ben wat het laatste betreft niets verder gekomen.
Door het moeten loslaten ga ik alleen maar meer verlangen.


Zondag 23 maart

Op het plaatje zag het er mooi uit.
In het echt nog mooier.
Ik sta naast Mussenden Temple, aan de kust van Noord Ierland. Het is een kleine ronde koepel op een rots aan de kust van Londonderry.
Frederick Augustus Hervey, een excentrieke graaf van Bristol en bisschop van Derry bouwde de tempel in 1785 als gedenkteken voor zijn nicht Frideswide Mussenden. Het ontwerp is gebaseerd op de Vesta-tempel in Tivoli, net buiten Rome. In elk van de 4 windrichtingen is een opening te vinden: 3 voor een raam en 1 voor de ingang. De tempel was oorspronkelijk ontworpen als bibliotheek, hoewel sommigen beweren dat het een boudoir is voor de maitresse voor de bisschop. Later werd in de kelder de mis voorgelezen voor rooms-katholieke pachters.
Nu staan alleen de muren nog overeind, binnen is geen boek meer te bekennen. Zou 'm direct willen verplaatsen naar mijn achtertuin.

Ga een klein stukje door, naar Causeway Coast. De Giant's Causeway staat op de Werelderfgoedlijst. Het is een prachtig divers gebied en ik zou hier wel een paar weken neer willen strijken, en de wind mijn hoofd leeg laten waaien.
Er zijn baaien, stranden, rotsachtige landtongen, en ruines op de klippen. De mooiste ervan is Dunlace Castle, uit de 13e eeuw, met 2 torens, de ophaalbrug en de bestrating nog intact.
Verderop is de touwbrug van Carrick-a-rede. Deze brug hangt zo'n 25 meter boven de zee en schommelt ook heftig als het niet waait.
Ik probeer me moedig te voelen als ik aan het begin van de brug sta, een eerste stap zet. Ik weet dat ik een bikkel ben, dat ik zo ook over kan komen als het van binnen absoluut niet zo voelt. Ik zet de eerste stap en ervaar de wiebel. Gelukkig geen mensen achter me, door wie ik me opgejaagd voel. Ik denk aan anderen, anderen die geen eerste stap durven te zetten en door het wiebelen eerder stappen achteruit zetten, of stappen ver weg van de brug.
Zo wil ik niet zijn. Dus laat ik deze brug nemen, deze hindernis, en laat ik daarmee al het andere, alle ballast overboord gooien, de zee in, en van me af laten glijden.
Ik zet nog een stap, probeer het wiebelen als aangenaam te ervaren, als uitdaging.
Zet nog een stap, probeer te ervaren dat ik in control ben en niet die brug.
Het zijn wankele schreden maar ik haal de overkant.
Het voelt (nog) niet als een overwinning, daarvoor zijn de emoties te divers.

Ik loop door naar Giant's Causeway. Het is een eigenaardig stuk natuur met regelmatig geordende basaltblokken, onderwerp van diverse legenden. De bekendste gaat over de reus Finn MacCool. Deze reus was een strijder, een jonge edele die was uitgekozen vanwege zijn kracht en moed. Finn was daarnaast ook helderziende; als hij op zijn duim zoog kreeg hij grote wijsheid. Deze Finn MacCool zou een pad aangelegd hebben over zee om zijn geliefde op het eiland Staffa, waar soortgelijke blokken zijn gevonden, te kunnne bezoeken.
Het klimaat heeft de rotsen op sommige hoogtes roodgekleurd.
Middle Causeway staat bekend als de honingraat. De rotsformaties hebben verschillende kleuren en verschillende hoogtes.
Op Grand Vauseway staat een Wishing Chair. De legende zegt dat deze rotsstoel werd gemaakt voor Finn, en dat de hier uitgesproken wensen zullen uitkomen.
Ik ga er zitten, ik moet wel, ik klamp me aan alles vast.
Ik weet niet wat ik wensen moet.
Ik weet wel wat ik mezelf wens, wie ik mezelf wens, maar ik kan maar niet bepalen of dat ook goed voor mij is.

Belfast.
Bij Belfast denk ik aan rauwheid, aan de IRA, aan politiek.
Ik denk aan Bobby Sands. Ik ben 14, en hoor van zijn hongerstaking. In die tijd grijp ik alles al aan om me verdrietig te voelen, grijp ik alles al aan als kapstok voor een soort basisverdriet, en Bobby Sands is zo'n kapstok.
Hij is prominent lid van de IRA en zit gevangen. Hij gaat in hongerstaking voor de status van politiek gevangene. Vele republikeinse gevangenen volgen zijn voorbeeld. De IRA krijgt veel publiciteit en sympathie in deze tijd. Bobby Sands sterft na een hongerstaking van 66 dagen en 9 andere hongerstakers overlijden ook vlak voor de IRA de actie stopt.
Ik had een honger naar helden. Mijn kamer hing vol met muzikale en tv-helden en ik wilde graag iemand adoreren. Las in de bibliotheek knipselkranten over Bobby Sands en de IRA. Herinner me nog de foto waarop Bobby een enorme baard had gekregen, een Osama-baard, of eerder een Che-gezicht.
En nu ben ik in de stad waar het allemaal gebeurde.
Er is een rondrit langs de politieke muurschilderingen.
Ik voel me een beetje een ramptoerist. Was altijd benieuwd naar het verscheurde woelige Belfast, en zie nu een gewone stad, met oude gebogen vrouwtjes met doekjes om de haren, veel vrolijke studenten, en gezellige winkeltjes. Ik wil niet teleurgesteld zijn, maar had iets anders verwacht.
Ik maak een ronde langs de toeristische hoogtepunten, en maak er foto's van.
Omdat deze mogelijk in een brochure voor mijn werk gaan komen, kan ik ze hier nog niet plaatsen.

Ga vroeg slapen en maak in gedachten en in beelden de oversteek over de wiebelbrug nog eens over.

Maandag 24 maart

Een hele vroeg ochtend, ik loop door The Entries, lieve nauwe straatjes in het centrum.
De pubs zijn nog niet open, op een enkele na waar ontbijt te krijgen is. Ik moet niet denken aan het vette spek bij de eieren, ik voel me wat onbestemd, ik voel me wat alleen.

Ik ga zuidwaarts.
Newgrange, een grafheuvel.
Het graf werd rond 3200 voor Chr gebouwd en volgens de verhalen zijn hier legendarische koningen begraven. In 1699 werd het herontdekt en in 1960 werd de heuvel uitgegraven en werd ontdekt dat op 21 december zonnestralen precies in de graftombe schijnen.
Je moet hier verplicht mee met de rondleiding, je mag er niet zelf ronddwalen. In de zomer is het hier net zo druk als bij het Collosseum.
Het is bijzonder om door de grafgangen te lopen die naar de grafkamers leiden. Je voelt de geschiedenis hoewel dat nog veel meer het geval was ooit in het dal der Koningen in Egypte.

Met de trein reis ik naar Athlone. Onderweg kom ik langs Mullingar. Net buiten de stad staat Belvedere House, gebouwd door Richard Castle in 1740. Kort nadat het huis was voltooid meende de eerste graaf van Belvedere dat zijn vrouw een verhouding had met zijn broer. Hij sloot haar 31 jaar op in een huis in de buurt. In 1760 bouwt hij een muur, de Jealous Wall, om het uitzicht van zijn andere broer, die aan de andere kant van de weg woonde, te blokkeren.

Vanuit Athlone ga ik naar Clonmacnoise. Het is een klooster uit de 1e eeuw. Althans, dat was het.
Het is een bijzonder veld. Erop staan de restanten van een klooster, 2 roudn towers, een hoop grafstenen met kruisen erop en een laag muurtje eromheen. Zou dit graag gebruiken als decor voor een film of toneelstuk.

Dan met de trein naar de plek waar ik ook begonnen ben, Dublin.
Ik vlieg vanavond nog terug, kan mijn ticket dat eigenlijk voor morgen was nog omzetten. Ik verlang naar huis, naar Poes, naar iets vertrouwds.
Het land was prachtig, het reizen fijn. Het valt me tegen dat er geen rust is in mijn hoofd. Dat ik nu nog niet weet hoe het verder moet. Dat ik niet een ontzettend voldaan gevoel heb over mezelf omdat ik dit alleen gedaan heb, omdat ik met zoveel leuke mensen in contact ben gekomen, omdat mijn leven nu helemaal om mij draait.

Morgen een dagje thuis, woensdag een dagje op mijn werk, verslag uitbrengen en dan donderdag op vakantie.


Donderdag 27 maart

Weg van hier, dit land.
Weg van de dingen die tegen zitten.
Weg van het stilzwijgen van hem over wie ik niet kan schrijven.
Weg van mijn boosheid en verdriet over die stilte en nog over zoveel meer.
Weg van de herrie in mijn hoofd.

Misschien wat woorden af en toe, misschien ook niet.

___________________________________________________________________________________

Op station Brussel Zuid is het druk. Veel hangjeugd, veel politie, en veel contact tussen die 2 groepen. Onoverzichtelijk station ook, met veel hoeken en smoezelige 'straatjes' naar nog meer winkeltjes. Ik prober mijn overstaptijd nuttig te besteden.
Behalve wat eten ga ik naar een fotowinkel. Ik hoop dat ze hier een 2e geheugenkaartje hebben voor mijn camera. De man achter de balie weigert mijn taal te spreken, terwijl ik hem dat met een andere klant zojuist nog wel heb horen doen. Ok, goed, ik ben in het buitenland. Ik overhandig hem het huidige kaartje, hij schudt zijn hoofd, hij kijkt even naar de camera, schudt weer en stopt het kaartje terug.
Net voor ik de Eurostar in stap kom ik erachter, als ik daar een foto wil maken, dat de camera niet meer werkt. Problemen met het geheugenkaartje. Blijkt dat er een paar pinnetjes, waar zeer moeilijk bij te komen is, zijn verbogen.

Ik ken mezelf en ik ken deze situatie. Ik weet dat ik hier echt depressief van kan worden. Ik moet foto's kunnen maken.
Ik moet kunnen vastleggen. Misschien is dat sowieso mijn makke in het leven, in relaties, dat ik moet vastleggen. Aan de andere kant is daar ook niets mis mee. Al dat gedoe van geniet van dit moment, ja, reuze prachtig, maar dat weerhoudt me niet van het verlangen, een reëel verlangen vind ik, om het moment te willen rekken.
Ik houd me vast aan de hoop dat ik morgen vast iemand ga treffen die dit voor me gaat oplossen.

Vanwege de recente opening had ik me veel voorgesteld van London Pancras International, maar dat valt dus reuze tegen.
Ik heb mezelf getrakteerd op een single room op de nachttrein naar St. Erth. Valt me meteen op dat de mensen ontzettend servicegericht zijn, kunnen we in Nederland nog iets van leren. Daar wordt over het algemeen gezucht als een klant iets vraagt.


Vrijdag 28 maart

Met een klein treintje naar mijn eindpunt van vandaag: St. Ives. Plaats waar veel kunstenaars zich hebben laten inspireren door licht en kleuren. Stadje met meeuwen, galleries en kerken. Met stenen (afgebrokkelde) huizen op de heuvels.
Zodra ik me heb geïnstalleerd ga ik met mijn fototoestel op pad. Vind een winkel maar de aardige jongen durft het niet aan. Het toestel zou moeten worden opgestuurd. De pinnetjes zijn erg delicaat, als ze worden rechtgebogen is de kans groot dat ze afbreken en dan moet het hele 'huis' van de geheugenkaart worden vervangen. Ik slik, ik slik nog eens, slik een vette depressie door en pak mijn portomonnee. Koop een nieuw toestel, zo ontzettend niet te vergelijken, waar je helemaal niets extra's mee kan, maar ik heb weinig keuze en wil ook niet mijn hele salaris besteden aan een vervangend ding. Van geldgebrek tijdens een vakantie word ik zo mogelijk nog depressiever.

Ik loop door de autovrije straatjes van het stadje. Loop naar het Tate. Een wit museum, met een ronde vorm die enigszins vrijpostig doet denken aan het Guggenheim in New York, en een prachtige plek zo aan zee. De kunst die er hangt spreekt me minder aan, gaat teveel over natuur en hoewel deze reis anders vermoed ben ik daar niet zo van.
Ze serveren wel een hele lekkere lunch: toast met blauwe kaas en portadella. Ik neem er wijn bij, om zo het vakantiegevoel naar binnen te gieten. Om ook de dingen die ik zou moeten vergeten in een roes te laten verdampen.

Ik neem de bus naar Penzance. Was eerst van plan daar te verblijven, maar ben blij het niet gedaan te hebben. Is minder kneuterig, en veel minder sfeervol. Zodra het kan, het schijnt schoolvakantie te zijn waardoor een aantal bussen niet rijden, reis ik door naar Land's End.
Het is waar het om bekend staat, een waanzinnig woest landschap. Ik voel me steeds nietiger worden, en dat voelt goed. Het lukt niet om met deze wind mijn nieuwe toestel stil te houden, mijn kleren waaien bijna van mijn lijf en op de paden blijven is zo goed als onmogelijk.

Met een dubbeldekker terug door van die James Herriot-achtige landschappen.
Bij thuiskomst zie ik dat er met een punaise nog een briefje op mijn kamerdeur is bevestigd met de melding dat het een niet-roken kamer is. Alsof dat me na 3 meldingen ín de kamer nog had kunnen ontgaan. Misschien roken ze een vreemde geur. Die is dan eerder veroorzaakt vanwege hun slechte sanitair. Mijn drollen bleven drijven in het putje waardoor ze juist hadden moeten verdwijnen. Met wcpapier heb ik ze eruit gevist en in een plastic zakje verzameld dat ik direct daarna in een afvalbak in de stad deponeer.

Nog vol van de lunch lees ik in bed het eerste meegenomen boek uit van Karel Glastra van Loon: Lisa's adem. Gekocht vooral vanwege de coverfoto. Zag later in de AKO een boek liggen met precies dezelfde foto, pijnlijk ernaar te kijken. Voor Karel ook, lijkt me.

Bij het zoeken naar het plaatje op internet zie ik het boek met meerdere covers, lijkt me ook niet goed, durf ik te beweren nu ik ook in die branche zit. Zie het moment van uitkomen met grote angst tegemoet, en dat moment komt steeds dichterbij.



Zaterdag 29 maart

Ik word 's nachts klappertandend wakker. Vind het een mooi woord, klappertandend, maar nu raak ik in een lichte paniek. Het blijft maar doorgaan, hoeveel ik ook aantrek. Ik ga naar de wc, er komt derrie uit. Dit herhaalt zich ieder uur deze nacht.
Maar ik moet door, ik moet verder op reis. Trutje II is gepakt, ik heb mijn jas al aan en ik voel de derrie mijn onderbroek in stromen. Op de wc zie ik de groen/gele kleur, ziet eruit als waterige vogelpoep. Ik heb na deze nacht wel ontdekt dat ik de kap van het wc/reservoir af kan halen en door te trekken aan de vlotter, de zooi alsnog zelf kan laten verdwijnen.

Zaterdag is geen goede reisdag, net als in Nederland worden ook hier werkzaamheden aan het spoor vooral tijdens weekenden en schoolvakanties uitgevoerd.
Dat betekent vaker overstappen en dat is helemaal niet fijn als je darmen niet wachten met zich legen tot ze op een wc zitten.
In plaats van een directe trein van St. Erth naar Birmingham moet ik nu eerst naar Plymouth. Een hele aardige mevrouw voorziet me van een nieuw reisschema en blijft zeggen: fingers crossed. Dat geeft hoop.
De directe trein vanuit Birmingham naar Llandanwg, mijn nieuwe bestemming is ook geannuleerd. Ik moet nu eerst naar Shewsbury, en kan dan verder met de trein. De trein daar blijkt echter niet te rijden, dus kom ik in een bus te zitten. Anderhalf uur door prachtige landschappen, maar de kramp weerhoudt me er echt van te genieten.
Op het station van een plaats waarvan ik de naam maar niet kan onthouden blijkt er geen trein meer kant op te gaan. Mijn broek loopt weer vol terwijl de stationsmanager me een taxi aanbiedt.

De chauffeur heeft nog nooit gehoord van de plaats waar ik naar toe wil, maar we gaan op pad. Frank heet hij. Frank vertelt over de dingen die we onderweg tegenkomen en die ik niet meer kan zien vanwege de ingevallen duisternis. Hij vertelt me over Ierland, waar hij geboren is.
Dat daar het weekend op donderdagavond begint en ongeveer maandag tegen de avond weer eindigt. Als het meezit. Of tegen. Dat zijn broers hem voor gek verklaren als hij op zondagavond niet meedrinkt omdat hij zelf op maandag weer moet werken. Ik vertel hem over de reis die ik pas gemaakt heb in zijn geboorteland. Zijn ogen glinsteren. Hij beaamt mijn eerste indruk, dat de Engelsen formeler zijn, maar ik moet wel erkennen dat ze zeer hulpvaardig zijn. Zodra ik ook maar stilsta om mijn weg te zoeken komt er al iemand naar me toe om me te helpen. Trutje II wordt bijna zonder vragen trap op en af gedragen.

Ik word zeer hartelijk ontvangen in het hotel. Lisa staat al in de deuropening zodra ze de taxi hoort.
What have you done with the wheather, roept ze uit vanwege de regen.
What have you done with the trains, antwoord ik.
Steve, haar man, komt er bij en ze stellen zich voor en stellen mij op mijn gemak. Lisa vraagt of ik iets wil eten. Ik zeg dat mijn stomach nogal upset is en dat ik maar beter rustig aan kan doen. Ze geeft me een glas melk mee en Steve neemt mij en Trutje II mee naar mijn kamer. Wat een geweldige ruimte. Heeft iets weg van een appartementje.
Het uitzicht zie ik nog niet maar het ruime raam belooft veel goeds.

Zondag 30 maart

Al een iets betere nacht. Nog maar om het uur wakker en naar de wc, en hier kan in ieder geval worden doorgetrokken.
Het uitzicht is inderdaad mooi. Weilanden, bergen, schapen en zon.

Ik ga optimistisch ontbijten en heb een leuk gesprek met de eigenaren en de gasten. Ze vinden mijn Engels goed. Ik niet, ik hakkel soms maar kan ook blij zijn met een hervonden woord.
Vandaag ga ik wandelen.
Er is een stadje redelijk in de buurt, Harlech, met een kasteelruine. Ik krijg een lift aangeboden, maar ik heb zowaar zin in een wandeling.
Ik kom weinig mensen tegen, een paar oudere vrouwtjes met een hond en ze beginnen allemaal een gesprekje. Ik maak goed gebruik van alle bankjes onderweg, het niet slapen en eten heeft mijn lichaam verzwakt. En niet alleen mijn lichaam, mijn geest moet huilen om de afgelopen dagen, de afgelopen maanden. Ik maak mezelf wijs dat ik dit wel kan, alleen reizen. En dat ik dit wel kan, alleen leven.
Ik loop verder en de zon breekt door.

Bekijk het kasteel in Harlech. Dat is deel van de romantiek hier, dat ze al die bouwvallen laten staan en dat je steeds herinnerd wordt aan een leven met ridders en jonkvrouwen. Onderaan de heuvel heel romantisch een golfbaan.
Ook fijn dat ze overal die gratis openbare wc's hebben.

Ik had terug met de trein gekund, maar ik ben zeer overmoedig en loop terug. Bewondering bij terugkomst.
Nog wat chatten met BHV en een foute James Bond film kijken vanuit bed.
Waarom ben ik altijd maar zo onderweg?
Ja, natuurlijk heb ik maar een beperkt aantal dagen, maar daarnaast heb ik bedacht dat ik graag reis, dat ik te onrustig ben om op 1 plek te blijven.
Zou hier graag langer willen blijven, me koesteren in de warmte van Steve en Lisa.

Maandag 31 maart

Een zeer warm afscheid en dan met de trein naar Portmadog. Tijd om na te denken over een heftige droom vannacht. Het ging over een gemengde relatie, hoewel geen van beiden een donkere huidskleur heeft. De ouders willen het afremmen, vinden ons nog te jong, althans, dat is de reden die ze geven. Ik zit in verschillend perspectief, soms ben ik de man, soms de vrouw.
Uiteindelijk gaat de vrouw (tijdelijk?) naar een ander land. Hiermee is het gedoe niet voorbij. Buurtjongeren komen in opstand tegen de relatie en bereiden een aanval voor. Degenen die achterblijven (de man, familie, vrienden) nemen maatregelen voor een verdediging.
Bij het wakker worden moet ik grote moeite doen om deze droom niet verder te dromen.

Ga een stukje met een stoomtrein.
Een geweldige route richting het Lake District.
Beneden ons de rivieren, wij rijden door Robin Hood-achtige bossen die ik voortaan Robin Woods noem, leistenen muurtjes, kreten van de tuffende locomotief, het typische kedeng-kedeng melodietje, bomen met takken wijd uiteengespreid, als armen.

Aantal keer overstappen, onderweg leuke gesprekken, en uiteindelijk aankomst in Ravenglass. Hotel bevindt zich echt aan het Lake District.
Ga eten bij de pub van de buren. Gevuld met locals, die zo gaan vergaderen. Het prachtige aandachtvragende dochtertje van de eigenaren komt naast me zitten en neemt mijn vakantieboekjes met me door. De grote zwarte hond vraagt ook om aandacht, legt bijna zijn kwijlende bekkie naast mijn bord dat met lam en munt gevuld is.

Ga ondanks mijn vakantie vroeger naar bed dan tijdens een werkweek.
Sammy
maart 2008