Donderdag 9 maart
Jaren jaren geleden liep ik 's nachts terug van een schoolfeest naar huis.
Op 2/3e voelde ik dat er iemand achter me was komen lopen. Iemand die zijn tempo aanpaste aan het mijne. Iemand die zeker van zijn zaak was, die geen poging deed onopgemerkt te blijven. Met mijn rug tastte ik zijn bedoelingen af, en mijn mogelijkheden en emoties.
Zo liepen we zonder elkaar in het gezicht te hebben gekeken door de lange straat, waar die nacht geen auto's reden. Omkijken durfde ik niet, en iedere zenuw in mijn lichaam ervoer angst, maar ik rechtte mijn rug, in een poging sterk en zelfstandig over te komen, was het niet voor hem, dan toch op z'n minst voor mezelf.
Aan het einde van de straat, met mijn huis aan de overkant van de spoorlijn, raakte hij mij plotseling aan. Mijn rug.
We stonden stil, en het licht van de bewegingsmelder van het huis waar we voor stonden ging aan.
Hij graaide naar mijn lijf, mijn borsten, tussen mijn benen en ik weer af, strijbaarder dan ooit. Ik sla hem en roep dat hij van me af moet blijven. Ondertussen spied ik naar de gordijnen, in de hoop iets te zien bewegen, licht aan te zien gaan.
Na een paar minuten geeft hij het op en loopt weg. Ik ren, nee, ik loop verder langs de spoorlijn, naar het tunneltje wat me scheidt van mijn huis.
Thuis slapen mijn huisgenoten al.
In mijn kamer komt moederpoes hongerig naar me toe. 5 Kleintjes rennen er gillend achteraan, gretig op zoek naar een tepel.
Ik ruik het kattenvoer als ik mijn handen voor mijn gezicht sla.
Mijn rug en mijn emoties breken.