Donderdag 2 maart

Mijn nek zit vast en het uitslapen rekt zich en rekt zich, maar de bloesem op mijn tafel loopt uit en de narcissen op mijn kast juichen me toe.
De afgelopen dagen heb ik veel energie verbruikt, maar er ook voor teruggekregen. Veel gelachen, goede gesprekken, inspirerende omgeving.
En de wijze les om direct toe te slaan als je iets moois ziet.
Ik bel aan bij Man en bij het zien van de blije lach op zijn gezicht en de glans in zijn ogen neem ik hem aan zijn hand mee naar zijn slaapkamer.
Ik ben thuis.
Vrijdag 3 maart

Ik geef hem mijn rug.

Ooit had ik een vriendje die een hele sterke moederbinding had. Ex trouwens ook, dus misschien zegt dat iets over mij, is er weer een patroon, maar dat terzijde.
Het ging al slecht tussen ons, maar hij vroeg me zijn rug te kriebelen. Dat deed zijn moeder ook altijd toen hij nog jong was, en het bracht hem tot rust.
De rug is veel voor me gaan betekenen, ik heb haar kwetsbaarheid op verschillende manieren ervaren. Kwetsbaarheid als in pijn, een operatie, het niet kunnen bewegen. Maar ook de taal van de rug, in een voorstelling, de kracht, de schoonheid, de emotie.

Ik geef hem mijn rug, zoals Camille dat in de film deed aan Rodin toen ze voor het eerst de liefde gingen bedrijven.
Hij weet het op waarde te schatten. Met zijn vingertoppen beroert hij mijn huid, trekt lijnen, verkent, verzacht, brengt me tot rust.

Via mijn rug geef ik Man een deel van mezelf, en ik voel me veiliger, volwaardiger en meer geborgen dan ooit.

Zaterdag 4 maart

Op het station, na een dag werken, voor de terugreis, koop ik als kadootje voor mezelf de zaterdagskrant, voor de puzzel, het nieuws, het gevoel. Ik koop ook 4 kaarten.
Op het feest van mijn ouders zag ik 2 tantes, een zus van mijn vader en een zus van mijn moeder en ik realiseerde me dat ze me dierbaar zijn, dat ik ze te weinig zie en dat ik blij ben dat ze er zijn. Dat wil ik ze via een kaartje laten weten. Ook wil ik een kaartje sturen naar Grote Zus en Grote Broer. Wil me niet meer door excuses en uitvluchten laten leiden, laten leven, maar wil handelen uit mijn hart.

In de trein val ik in slaap. Met moeite word ik wakker op het station van mijn woonplaats. Met halfgesloten, nee, positief zijn, met halfopen ogen stommel ik naar buiten. Terwijl ik naar de trap loop, gaat de trein aan mij voorbij. In één van de coupé's ligt het tasje met de krant en de kaarten.

Zondag 5 maart

Sammy gaat klussen.
De werkkamer is under construction en de muren moeten wit.
Maar eerst moeten de vele gaten worden gestopt die daar zijn achtergebleven na het verwijderen van een groot schoolbord. Ze pakt een tube vulspul, er komt niets uit. Ze pakt een 2e, vollere, tube maar ook daar komt niets uit.
Ze besluit toch maar te gaan verven.
Ze sleept het karton met daarop de emmer witte verf van de woon- naar de werkkamer. De emmer zit niet goed dicht, blijkt als deze omvalt en een witte vlek verspreidt zich over het laminaat. 'Waarom ik weer', roept ze, maar het zou haar niet moeten verbazen en ze weet te relativeren, en door te gaan met de klus.
Ze besluit de komende anderhalve week geen mensen toe te laten tot haar huis, om even geoorloofd een verplaatsrommel te kunnen maken en laten, en besluit ook dat ze geen nieuwe spullen mag aanschaffen voor de oude weer netjes op hun plek staan.
Maandag 6 maart

Ik sluit wat af, en ik probeer het niet (alleen) te zien als een last van mijn schouders, hoe klein ook, maar als een aanzetje voor meer.
Zoals mijn hele werkkamer, en mede daardoor mijn hele huis en symbolisch mijn hele leven op z'n kop staat, zo ben ik nu bezig centimeter voor centimeter weer op te ruimen en schoon te maken. Keuzes te maken over wat waar en hoe.
Dinsdag 7 maart

Van stemmen word ik altijd weer zo in en in gelukkig.
Op verkiezingsdagen lijk ik wel een bordje met democratie op mijn voorhoofd te hebben, en weet ik anderen mee te trekken in mijn enthousiasme. Soms ook letterlijk, zoals vorige keer toen ik naar het stemlokaal (lees: bejaardenhuis) liep en een Marokkaanse straatgenoot aansprak op het stemmen en hij meteen binnen zijn stemkaart ging halen.
Ik bel aan bij Man om hem mee te trekken en bijna huppelend loop ik aan zijn zij.
Ik hang de vrolijkste kiezer uit als ik de mensen achter de tafel begroet en mijn stemkaart overhandig. En veel te snel zegt de man bij het hokje dat ik heb gestemd en verlaat ik de ruimte met een lach van oor tot oor. Een man komt me tegemoet, hij moet lachen om mijn lach en groet me. Ik groet terug, vandaag deel ik mijn leven met iedereen. Ik kijk achterom, de man denkt dat het om hem is, maar het is vanwege die andere man, Man, hij komt eraan, rustig als altijd, en ik pak zijn hand en babbel opgewonden als een klein kind aan de hand van papa.
Woensdag 8 maart

Tijdens het opruimen van de werkkamer kom ik het gedicht tegen van Rutger Kopland wat hij schreef voor de voorstelling Rug van Jeanette van Steen.

Je rug

Tot ik je rug zag - alsof je iets wilde met mij

daarom streelde ik met mijn ogen je rug
ach, hoe lang al kende ik die

ik wilde het niet niet denken deze gemeenplaats
maar het waren mijn ogen die wisten
alles in ons is geschiedenis alles

er moet zelfs een tijd zijn geweest waarin wij
nog niet eens bestonden, zolang al

ik wilde je rug strelen zonder mijzelf te zoeken
onder je huid en ook jou zocht ik daar niet
wij zijn daar onvindbaar

liefde is een woord voor iets anders
dat ik zocht, niet de liefde heeft ons gemaakt

wij zijn gemaakt met onverschillig aandachtig
geduldig gereedschap, hetzelfde
dat ons weer afbreekt

we kennen de zwijgende anatomische prenten
die laten zien hoe het moet

de witte wervels en ribben en schouderbladen
die witte weerloze krekel
waarmee het moet beginnen, moet ophouden

daarom streelde ik met mijn ogen je rug
Donderdag 9 maart

Jaren jaren geleden liep ik 's nachts terug van een schoolfeest naar huis.
Op 2/3e voelde ik dat er iemand achter me was komen lopen. Iemand die zijn tempo aanpaste aan het mijne. Iemand die zeker van zijn zaak was, die geen poging deed onopgemerkt te blijven. Met mijn rug tastte ik zijn bedoelingen af, en mijn mogelijkheden en emoties.
Zo liepen we zonder elkaar in het gezicht te hebben gekeken door de lange straat, waar die nacht geen auto's reden. Omkijken durfde ik niet, en iedere zenuw in mijn lichaam ervoer angst, maar ik rechtte mijn rug, in een poging sterk en zelfstandig over te komen, was het niet voor hem, dan toch op z'n minst voor mezelf.
Aan het einde van de straat, met mijn huis aan de overkant van de spoorlijn, raakte hij mij plotseling aan. Mijn rug.
We stonden stil, en het licht van de bewegingsmelder van het huis waar we voor stonden ging aan.
Hij graaide naar mijn lijf, mijn borsten, tussen mijn benen en ik weer af, strijbaarder dan ooit. Ik sla hem en roep dat hij van me af moet blijven. Ondertussen spied ik naar de gordijnen, in de hoop iets te zien bewegen, licht aan te zien gaan.
Na een paar minuten geeft hij het op en loopt weg. Ik ren, nee, ik loop verder langs de spoorlijn, naar het tunneltje wat me scheidt van mijn huis.
Thuis slapen mijn huisgenoten al.
In mijn kamer komt moederpoes hongerig naar me toe. 5 Kleintjes rennen er gillend achteraan, gretig op zoek naar een tepel.
Ik ruik het kattenvoer als ik mijn handen voor mijn gezicht sla.
Mijn rug en mijn emoties breken.

Vrijdag 10 maart

Op de achterflap:

Het grote thema van Michèle Desbordes is de tijd. Net zoals in haar veelgeprezen romans Het stille huis en Het verzoek heeft zij dit in De blauwe jurk van Camille treffend vorm gegeven. Zij beschrijft hierin de laatste dertig jaar van het leven van Camille Claudel (1864-1943). De kunstenares werd in 1913, na een stormachtige verhouding met de beeldhouwer Auguste Rodin, op verzoek van haar familie opgenomen in een psychiatrische kliniek en aan haar lot overgelaten. Tijdens de lange eentonige dagen in de inrichting denkt Camille terig aan haar jeug, waarin zij met haar broer rebelleerde tegen haar moeder en haar jongere zuster, ze denkt terug aan Rodin, en aan haar eigen bezeten kunstenaarschap. En zij wacht.
Op een harteloze moeder, die haar nooit meer wil zien. En op Paul, die zijn zuster maar zelden bezoekt. Aan het slot van haar roman stelt Michèle Desbordes zich voor dat Paul één keer een uitstapje met Camille heeft gemaakt naar het strand. Zij draagt die dag een prachtige, speciaal voor de gelegenheid gemaakte blauwe jurk. Broer en zuster maken in het nevelige licht van een warme nazomermiddag een wandeling langs de vloedlijn. Dan keren zij terug...

Over haar eigen leven wilde Michèle Desbordes nauwelijks iets kwijt. Zij werd geboren in augustus 1940 in de bosrijke landstreek La Sologne onder Orléans en was jarenlang conservatrix van de universiteitsbibliotheek in die stad.
Zij stierf in die stad.

Ik weet dat het vrijdag uitkomt.
Na mijn werk snel ik naar een wijk in mijn woonplaats waar het koopvrijdag is en stap er de boekenwinkel binnen.
Ik bekijk ieder stapeltje aandachtig. Kan het boek niet ontdekken.
In mijn honger tot kopen loop ik wat te dralen. Tot mijn blik valt op de foto van Camille, op de voorkant van het boek. Op dat moment komt een medewerker mijn kant op. Of hij me kan helpen. Ik houd het boek omhoog, zeg dat wat ik zocht zojuist gevonden is en dat ik helemaal gelukkig ben.
Hij zegt blij te zijn daartoe te hebben kunnen bijdragen.

Het boek brandt in mijn tas als ik door de regen naar huis rijd.
Zaterdag 11 maart

Man ontfermt zich over mijn moeie lijf. Hij brengt me ontbijt op zijn bed, zet prachtige klassieke muziek op, neuriet vertrouwd mee terwijl hij zijn huis schoonmaakt, de vanzelfsprekendheid waarmee hij zijn kleren weer uittrekt en zijn lichaam tegen het mijne vlijt. Hij omarmt me met zijn mond, zijn lijf, zijn huid, hij omhelst me met wel duizend armen. Hij zoent iedere milimeter van mijn lichaam, verkent iedere plek, likt het zout en het zweet van mijn huid.
Ik open mijn ogen om zijn schoonheid, de geilheid in zijn ogen te zien, en kijk recht in de ogen van zijn ex. Ik open mijn mond, Man denkt er een uitnodiging in te zien en drukt zijn lippen op de mijne.

Zondag 12 maart

Het is een bont gezelschap waarmee we aan tafel zitten voordat we naar Paradiso gaan. BHV is mee, een paar dorpsgenoten, VIP met een paar vriendinnen waarvan er 1 qua gedrag haar tweelingzus zou kunnen zijn, Spiegelbeeld en de Dokter.
De laatste 2 hebben virtueel al wel contact gehad maar tot een afspraak kwam het maar niet. Ik heb Spiegelbeeld niet verteld dat de Dokter ook komt, ik houd van verrassingen, tenminste, voor anderen. Maar bij zijn binnenkomst herkent ze hem meteen, grijpt ze haar kansen en onderwerpt hem aan kruisverhoor over zijn ideeën over (on)trouw.
De Dokter en VIP hebben ook virtueel contact met elkaar gehad, alleen weet ze dat niet. Toen hij van mij hoorde dat zij ook was ingetrokken in het Dorp heeft hij haar diverse mailtjes gestuurd. Ze vertelde mij dat ze het Dorp maar niets von, zonder overigens naar mijn verblijfsplaats te vragen hoewel ze wist dat ik er ook nog wel eens rondhing, en zei dat ze er werd lastig gevallen door een vervelende oude man.
VIP etaleert onmiddellijk haar karakter als ze, zodat iedereen het vooral hoort, de naam noemt van een bekende Nederlander die haar sms't. Ze had hem gevraagd of hij die avond ook naar Paradiso zou komen, en zijn nee bevalt haar niet.

Tijdens het concert sta ik achter de Dokter. Het is fijn hem weer te zien, lang geleden ook, en zo te zien vermaakt hij zich wel.
Als hij drinken is wezen halen staat hij achter mij. Met mijn rug voel ik zijn aanwezigheid, zijn energie en stiekem probeer ik hem stilzwijgend dichterbij me te roepen maar de afstand tussen ons is te groot.
VIP staat intussen in het midden, zo ver mogelijk vooraan, om maar vooral te zien en gezien te worden.

Maandag 13 maart

In een poging alle rotzooi vanwege de verbouwing en herinrichting van mijn werkkamer terug te dringen pak ik de stofzuiger om eerst alle losse rommeltjes weg te halen zodat ik die niet door het hele huis verspreid.
Ik stoot tegen een krukje waar een plant op staat en de pot valt in scherven uiteen.

Ik vertelde vandaag nog dat de toestand van je huis ook heel veel, zo niet alles, zegt over de omgang met je zelf, de verzorging van je zelf.
Ik probeerde in de huidige vergelijking niet teveel stil te staan bij de rotzooi, bij het half lege glas, maar richt mijn aandacht op het feit dat ik hard bezig ben de dingen echt een plek te geven, om de dingen structureel aan te pakken, het half volle glas.

Ik probeer in de scherven geen teken te zien.

Dinsdag 14 maart

Tijdens het ochtendzappen kom ik langs RTL7 waar verteld wordt dat Tele2 digitale tv aan gaat bieden.
Als ik even later heel even de stad in ga om kadootjes te kopen voor anderen, zie ik in de hal van het postkantoor een medewerker van Tele2. Hij probeert een zogenaamd interessant pakket te verkopen. Als ik goed kijk zie ik ook aan wie. Het in Ingrid, een dakloze vrouw die al haar spullen heeft gepropt in een rugzak en de tas op een boodschappenkarretje, en die meestal in de bibliotheek zit en intelligente gesprekken voert met bezoekers. De Tele2-er vertelt haar dingen als gratis bellen van vast naar mobiel, 's avonds gratis, en zij zegt hem niet zo voorspelbaar te zijn. De medewerker weet nog niet dat ze geen huis heeft, geen eigen internet of telefoon. Ik vraag me af of ze het hem gaat vertellen.

Thuis slaat de griep toe.
Mijn lichaam heeft spierpijn en mijn nek kan niet pijnloos bewegen en mijn gevoelstemperatuur gaat van warm naar koud.
Buiten spelen buurtkinderen verstoppertje. Na het aftellen gaat degene die aan de beurt is niet meer zoeken maar wacht ze net zo lang bij de buutplek tot de verstopten het zat zijn en tevoorschijn komen.
Tijden veranderen.
Zondag 19 maart

De dag is fijn
de dag is van mij
de dag is veel te snel voorbij.
Maandag 20 maart

De nacht doet pijn
de nacht zeurt en huilt en braakt
de nacht duurt niet kort genoeg.
Dinsdag 21 maart

Onverwachts moet ik de vergadering leiden.
Ik hoor mezelf luisteren, samenvatten, mijn stem verheffen.
Ik zie mezelf groeien, en de positieve reacties zijn het water, de kunstmest voor mijn ziel.
Woensdag 22 maart

Als ik thuiskom wacht Poes me niet op.
Dat is ongewoon. Bijna altijd springt ze bij het horen van het openen van de schuurdeur voor het stallen van mijn fiets van het bed op de vensterbank in mijn slaapkamer.
Als het mooi weer is komt ze me alvast tegemoet gelopen.

Maar nu geen Poes.
Ik wacht geduldig, maak mijn eigen eten klaar, loop een paar keer de tuin in, fluit, roep, haal alle koosnaampjes uit de kast. Maar geen Poes.
Het donker valt met een harde knal, en hoe vaak ik ook kijk en roep, geen aansnellende gele ogen in de nacht.

Het is een koude eenzame nacht.
Donderdag 23 maart

Op het werk roep ik dat het nu weer om de inhoud moet gaan, en niet meer om de vorm. Dat we ons weer moeten concentreren op de feiten en de aannames moeten laten voor wat ze zijn. We merken dat we goed bezig zijn geweest, maar dat het nu weer tijd is voor een andere koers.

Thuis nog steeds geen Poes. Ik bel aan bij de huizen in mijn buurt, en krijg uiteindelijk een richting van een bovenbuurman die wel een buurtwacht lijkt zoveel als hij ziet.
Hij vertelt me dat hij een vrouw met blond haar in mijn tuin heeft gezien met een bakje eten. Hij dacht dat ik weg was en dat zij mijn verzorgende taak had overgenomen. Ze was gaan zitten op één van de tuinstoelen, had Poes nog geaaid en was toen met het bakje weer vertrokken.
Ik weet iets, ik weet nog niets, ik bel Man, hij neemt niet op, ik bel de dierenambulance.
Vrijdag 24 maart

Het is dat de afspraak al staat, maar anders was ik thuisgebleven om kwaad te zijn en te huilen.
Poes is gevonden, levend, ternauwernood.
Ze is vergiftigd, dat is al zeker. Wat ze gekregen heeft wordt nog onderzocht in het lab. Suf lag ze in één van de stalen kooitjes bij de dierenarts. Slangetjes, buisjes, de oogjes gesloten.

Ik kan niets voor haar doen, ze moet nog blijven, zeker tot het einde van de dag.
Dus kom ik mijn afspraak na.
Samen met Ex ga ik een kastje ophalen. En omdat we toch in de buurt zijn, gaan we naar het graf van zijn moeder.
De steen staat er weer, dit keer met Annie's naam en data.
Ex breekt, maakt snikkend foto's en laat zich dan tegen het muurtje bij de ingang zakken. Ik kruip dicht tegen hem aan, huil stil met hem mee.
We voelen en missen de aanwezigheid van Annie.

Zaterdag 25 maart

BHV en ik rijden in haar auto naar de dierenarts.
Poes heeft geen slangetjes en buisjes meer, maar ziet er niet minder zielig uit. Ze opent even een oog als we haar oppakken en in het mandje leggen, wil janken, wil blazen, maar ze kan het niet opbrengen.
Met de instructies van de dierenarts rijden we naar huis. Ik heb het kattenluik al dichtgemaakt. Ik heb een extra warm zacht plekje voor haar gecreërd en leg haar daar voorzichtig neer. Ga naast haar zitten, kijk naar iedere ademhaling.
Man komt op ziekenbezoek.
Ik kan me niet inhouden en richt mijn boosheid op hem. Spui mijn gevoelens, mijn vermoedens. Man loopt boos weg als ik hem vertel dat ik aangifte ga doen.
Zondag 26 maart

Mama is 75 jaar.
De hele familie zit in een kringetje.
Sommige tantes hebben we lang, maar niet té lang, niet meer gezien.
Andere tantes zie ik te weinig, en ze worden me steeds dierbaarder en ik neem me weer voor hen dit met een kaart te laten weten.
De zus van mama zegt bij het afscheid dat ze vindt dat ik zulke mooie ogen heb.
De spiegel van mijn ziel, zal mama later zeggen.
Ik ga heel snel door de map heen waar de foto's van het feest van even geleden in zitten. Probeer de foto's van mij niet mijn spiegel te laten zijn, niet het beeld van mijzelf te laten opslokken.
Laat je wel weer eens wat vaker van je horen, zegt papa als ik wegga.
Ik voel me weer kind.
Voel me terechtgewezen.
Voel me gefaald.
Voel de last van familie en verleden van me afglijden als ik letterlijk afstand neem.
Maandag 27 maart

Of ik bewijzen heb, vraagt de man in uniform die zijn best doet mij serieus te nemen. Ik probeer duidelijk te maken hoe belangrijk Poes voor me is, en ik denk te zien hoe hij een gaap onderdrukt.
En nee, harde bewijzen heb ik niet, maar mijn bovenbuurman lijkt wel een buurtwacht. Ik hoef buiten op straat maar te hoesten terwijl ik met BHV sta te praten of ik zie zijn gordijn al bewegen.
Een vrouw met blond haar, vraagt hij.
Ja, en dat kan er maar 1 zijn, zeg ik stellig.
Of ik een adres heb. Nee, probeer ik geduldig te blijven, en ik kan er mijn vriend niet om vragen. Mijn vriend. De benaming die hem nooit heeft gepast. Eerst was het een te kleine jas voor hem, en nu heeft hij de jas uitgetrokken, en weet ik niet of ik hem er wel zo graag in zie.

Als ik de schuifdeuren achter me dicht hoor gaan, kijk ik even achterom, om te zien of hij de aangifte niet verscheurt.
Hij heeft nog steeds zijn correcte gezicht op staan.
Dinsdag 28 maart

Zo ontzettend weinig aandacht in de media voor het leven van Joop Admiraal, mooie speler en integer mens. Ik kijk naar boven, en zie hem zitten aan de keukentafel van Annie, met een goed glas wijn. Het wordt er al behoorlijk druk, en de mensen laten hier een leegte achter, maar ik gun haar het gezelschap, gun haar de leden van het mooie mensen genootschap.
Woensdag 29 maart

Ik geef het een ander, maar ik gun het mezelf.
Ik geef hem poëzie om te kussen, maar eigenlijk is het een smeekbede aan Man om de afstand te verkleinen.

Geef me je jas
van bont van teddyberen
Leg je arm om me heen
en al je winterkleren.
Zoen me
tot ik warm word,
Zoen me
tot ik spin.
Trek je eigen huid dan uit,
stop mij eronder in.
Sus me met je hartslag
wij ons wij ons wij ons.
Maak van dit veel te grote bed
een heel klein fort van dons.

Bart Moeyaert
Donderdag 30 maart

Man komt langs, en ik vertrouw het niet.
Hij aait Poes, aait mij, maar ik denk dat hij me wil overhalen de aanklacht tegen zijn Ex in te trekken.
Verkoudheid neemt langzaam bezit van me. Ik zoen Man, om hem uit een soort wraakgevoelens proberen aan te steken. Ik zin op wraak, maar ben er de persoon niet naar, ben te moe of te zwak om van me af te slaan, heb teveel iemand nodig om lief te hebben.


Vrijdag 31 maart

Een natte neus, een vol hoofd, een lijf wat zich vol spierpijn voortbeweegt.
Maar geen koorts, dus een beetje aanstellen met een dekbedje op de bank mag, maar morgen moet er gewoon gewerkt worden.


MEE LEVEN

MEE KIJKEN

ANDER LEVEN

EERDER LEVEN

VANDAAG
Sammy
maart 2006