MEE LEVEN

MEE KIJKEN

ANDER LEVEN

EERDER LEVEN

VANDAAG
Sammy

Zondag 1 juni

Het is heel lullig, het is een feest waar ik geen zin in heb, maar ik kan echt niet meer.
Ik lig als een zombi op de bank, kijk naar dingen die al lang opgeruimd hadden moeten worden, kijk naar dat lijf dat van mij schijnt te zijn maar zo ontzettend niet in beweging te krijgen is. Misschien is het niet dat lichaam dat verlamd is, maar mijn hersenen die het signaal niet kunnen omzetten in daden.
Dat wordt de rest van de dag niet anders.
Kom ook niet in actie als de achterburen tot half 2 's nachts meelallen met Bon Jovi.
Weet dat hun huis te koop staat.
Zie op tegen het geluid van de wekker over een paar uur.

Maandag 2 juni

Ik heb roofbouw op mijn lichaam gepleegd en dat komt er nu uit.
Ik had gedacht dat een paar weken niet overwerken de vermoeidheid en de andere klachten wel weg zou nemen maar mijn weerstand is weg en de vermoeidheid doet pijn.
Het voelt als een vrachtwagen die over mijn lichaam is gereden en de auto op mijn linkerborst tot stilstand heeft gebracht.

En ik baal ervan het hier weer zo te zien staan.
Het is goed om dingen te benoemen, te registreren, maar het verzandt in zeuren en slachtofferen en dat helpt niet en ik ben het zat.
Tegelijkertijd moet ik toch even vaststellen dat er momenteel even niet veel anders is.
Behalve gedachten over mensen (lees: mannen) die allang niet meer in mijn hoofd hadden mogen ronddwalen, gevoed door de correctieproef van mijn boek, en gevoed door een zeer onbevredigend eind.
Die gesprekken in mijn hoofd mogen geen gesprekken op papier worden, om meerdere redenen.
Op zoek naar rust, en de bevrediging en de acceptatie van een stilte.

Ik geniet van de herrie van de regen en de donder.
Maakt me ook stil.

Dinsdag 3 juni

Even geen woorden geven aan mij.
Even een niet beladen stilte.



Beelden van een afgelopen tijd

Een man wordt 's ochtends in zijn invalidenkar uit een auto gereden en langs de gracht neergezet.
Niet met zijn gezicht naar het water, maar er parallel aan.
Als we een paar uur later voor het raam staan, staat hij er nog steeds.
Het gaat zichtbaar niet goed met hem. Zijn hoofd hangt, zijn mond half open, zijn lijf onderuitgezakt.

We lopen er heen.
Zijn gebit is uit zijn mond gevallen, hij is niet echt helder, kan zich niet uiten.

We bellen de politie. Die komt maar niet.
We bellen 118 en opeens is het druk rond de man.
Politie zoekt in het tasje dat aan de invalidenkar hangt.
De ambulancebroeders doen zijn gebit weer terug in zijn mond, leggen een infuus aan, rijden hem in de ziekenwagen.
Als zij al geruime tijd weg zijn staat een politieagent nog wat verloren naast de rolstoel.





De man die voor de woningbouw foto's maakt van mijn huis. Ik kijk mee op een schermpje en zie hoe gezellig en kleurrijk mijn huis is.

Een andere man, een andere rolstoel.
De man heeft geen benen meer, althans, hij heeft stompjes, gehuld in een spijkerbroek.
Hij staat langs de halte van de trambaan. Is verdrietig.
Veegt de tranen van zijn gezicht met de pijp van zijn broek.

Ik zie mijzelf met ieder apart goede gesprekken hebben.
Ik hoor mij advies geven, complimenten, kritiekpunten en ik merk dat het aanslaat, dat ik het juiste kan zeggen op de juiste toon.
Zie ook hoe de dagen erna de opmerkingen worden meegenomen, hoe er stappen worden gezet.
Ik voel hoe heel langzaam de energie weer door de banen stroomt.

Beelden van een afgelopen tijd II

Grote Zus neemt me mee, ik weet niet waar toe.

We zingen mee met de cd, zij kan zingen, ik niet echt, maar we kunnen wel goed een 2e en een 3e stem zoeken en vinden en soms klinkt het zelfs mooi en soms heerlijk overtuigend vals.

We rijden het dorpsplein op van Zaltbommel.
De fanfare oefent in het dorpshuis, wij zoeken een bankje aan de Maas voor de lunch. Grote Zus vertelt hoe ze zich altijd zo getrokken voelt door de Maas en de groene landschappen waar de rivier haar weg door baant.

We rijden door naar Heeswijk Dinther waar een prachtige grote groene beeldentuin is gesitueerd.
We nemen ruim de tijd voor de beelden, maken dezelfde foto's, hebben dezelfde smaak.

We rijden verder.
Langzaam denk ik te begrijpen wat het einddoel wordt.
Helemaal duidelijk wordt het als we een camping oprijden.
Op het parkeerterrein blijken Grote Broer en zijn vrouw er ook te zijn.
We lopen naar mijn ouders, die ook van niets weten.
Als alle begroetingen zijn gedaan begint mijn broer met een speech over een schrijver in de familie en dat ben ik en mijn broer heeft het exemplaar dat bij mijn ouders nog in de brievenbus lag te wachten op hun thuiskomst.
Mijn ouders hebben mijn boek.

De lucht kleurt prachtig op de terugweg en de luchtballonnen verhogen de sfeer.
Het is een mooie dag.
Mijn ouders hebben mijn boek.

Zaterdag 21 juni

Het gebeurt niet vaak maar ik maak ruzie.
Ik ben boos.
Heb een beetje overgewerkt, wil naar thuis, heb een missie die om 20.45 uur begint.
Maar de intercity gaat niet.
We moeten naar een ander perron, naar de stoptrein.
Als we daar 10 minuten in zitten krijgen we te horen dat deze trein niet zal rijden en dat we naar een ander perron moeten.
Ik ben het zat, ik ben in tijdnood, ik ben boos omdat er niets wordt omgeroepen, ik ben boos omdat ik nu naar huis wil.

Ik ga naar de rij bij de balie met een NS-mannetje erachter. De oudere vrouwen voor me klagen.
Moeten ze nu voor zo'n korte vraag ook in de rij staan. Ik zeg dat iedereen een korte vraag heeft. Ze kijkt me vernietigend aan.
Ze zegt dat het over de metro gaat. Ik zeg dat dat hier niet kan, dat dit de NS is, dat die niets weten, en al helemaal niets over metro's. De oudere vrouw krijgt bijval van nog meer oudere vrouwen als ze zegt dat ze hier blijft staan en dat ze die info wel hebben omdat het ter vervanging van een trein is en dat ik onbeleefd ben. Ik beaam dat en kijk de andere kant op.

20.44 Uur ben ik thuis.

Morgen vlieg ik naar Assisi.
juni 2008