Vrijdag 29 juni
Het perron staat vol met mannen in pak met daarop medaillles gespeld.
Het is veteranendag.
Ze staan er, in groepjes, al dan niet met vrouw, al dan niet met snor.
Veel zeggen ze niet.
Ze staan ergens voor, een tijd, een verleden, ze zijn een uitstervend ras.
In de trein zit een man en een vrouw en een zoon. De zoon lijkt te slapen, maar ik zie hoe onder de veel te grote klep van zijn pet zijn oogbollen heen en weer schieten.
De vrouw wrijft wat in haar ogen, de man buigt zich voorover, praat op indringende stem op haar in. Ik zie nu pas dat ze huilt. De man gaat weer achterover zitten, met een blik waar het gelijk willen en denken te hebben vanaf druipt.
De vrouw zet haar leesbril op, alsof de doorzichtige glazen haar tranen kunnen verbergen.
Steeds herhaalt het zich, de man buigt weer voorover, bijt haar wat voor mij onverstaanbaars toe, de vrouw schudt haar hoofd, spreekt een paar woorden, gebaart dat hij moet stoppen en voor even verdiept hij zich weer in zijn krant waarin hij waarschijnlijk geen letter leest.
Bij Schiphol gaan ze er gedrieeën uit, met 3 hele grote zware koffers. Alsof al die spullen moeten compenseren wat er overduidelijk scheef zit.
Mijn laatste werkdag op deze vestiging. Ik had een gesprekje gevraagd met mijn 'baas', me niet realiserend dat ik sowieso een gesprek zou hebben omdat ik een proeftijd van een maand had.
Ik krijg te horen dat ik mag blijven, dat ik het wel gehoord had als het niet goed zou zitten. Dat ik er wel de vaart in moet houden, dat het de komende maand echt de bedoeling is om tot verkopen te komen.
Toen ik vanmorgen naar het werk liep was er even een zwaar gevoel. De hoop dat ik vandaag rustig mijn oude dossiers mocht afmaken, maar ook weten dat daar waarschijnlijk geen tijd voor zou zijn.
Dan geeft mijn mp3 een heel fijn toepasselijk muziekje waardoor een lach doorbreekt.
Ik ga eten met de vrouw die samen met mij begonnen is. Die ook door haar proeftijd heen is.
Zij begint maandag in de andere winkel.
We spreken uit hoe fijn het was om samen te beginnen, om niet tegelijkertijd onze dips te hebben, hoe we de komende weken kontakt zullen blijven houden, elkaar zullen blijven steunen.
De meeuwen bij het station leveren luidkeels commentaar op het leven. Vetgemeste muizen rennen over de rails. Aan de andere kant van het perron een intrigerend stilleven van rails, met klaprozen en 1 schoen.
De vermoeidheid doet pijn.
Elders lees ik een ander verhaal, een totaal andere situatie, een totaal andere vermoeidheid.
Iemand die zijn stervende vrouw/vriendin bijstaat.
Uit diep respect en diepe ontroering plaats ik hier een citaat, hopende dat hij dat goed vindt, ik durf er nu niet om te vragen.
Hoe mooi is het om vast te stellen dat dat broze lichaam, waarmee de geest nog nauwelijks verbonden is nog zoveel geeft.
...
Er ligt dus niet iemand dood te gaan, daar in de kamer. Toen mijn grootmoeder stierf was dat zo.
Er ligt iemand te leven. Zoals zij dat wil.
...
Als de strijd geen winnaars kent is het nodig een richting te geven aan de strijders.
In dit geval het lijf dwingen te slapen, zodat de geest rust krijgt voor onderhandelingen.
De dromen blijven, het waarnemen van de regen buiten wordt onhoorbaar gedaan, de wind wordt gehoord.
Eindelijk is de slaap diep en onvoorwaardelijk.
Een beetje overgave, lijkt het haast.
Ze zweeft nu tussen werelden, maar dan langer dan het overdag doet.
...
Het huis is opgeruimd, we zorgen voor elkaar, voor haar ook, en zij voor ons.
Dit huis ademt blijheid, met regelmaat hoor je een lach schateren. Omarmingen en warme zoenen zijn dikwijls zichtbaar, zachte woorden hoorbaar, de geur van wellustige maaltijden vullen de neus.
Hoe kan het toch dat het levenseinde van een beminde geluk geeft?
Het einde van het leven is niet anders dan het begin ervan. Daar waar je geboren wordt en je met de aarde verbindt daar ontstaat bijna vanzelf geluk. Bij de onthechting is het niet anders.