MEE LEVEN

MEE KIJKEN

ANDER LEVEN

EERDER LEVEN

VANDAAG
Sammy
Zaterdag 5 juli

Wat heeft Assisi me goed gedaan!

Op dag 1, de dag na de aankomst, na het maken van de 1e foto, nog een telefoontje van het werk.
Het is goed, het duurt kort, en het doet me beseffen dat ik nu vrij ben en ook echt vrij moet zijn.

De eerste dagen onderneem ik nog veel.
Ik ontdek Assisi, ga met de trein naar Siena, en Perugia en naar het meer.
Kom eindelijk in Bomarzo, waar ik al vaker probeerde te komen, waar kunstenaars kwamen, waar liefde en verdriet is vormgegeven in grote beelden.

Door het zeer warme weer onthaast je vanzelf.
Mijn tempo gaat direct omlaag en een rust neemt bezit van me.
Om mij heen veel mensen die zich bezig houden met het geloof, paters, nonnen, bezoekers.
Ik ben niet gelovig, maar word wel aangestoken met een zekere bezieling.
Heb op de dinsdag van mijn verblijf een ontzettend leuk gesprek met een Zweedse, luchtig en diepgaand.
Heb op de donderdag van mijn verblijf een soort goddelijke ervaring. Een hand, een troost, een ontzettende steun die ik nu nog terug kan halen.
Heb een hele spannende terugreis naar het vliegveld, gelukkig per sms bijgestaan door BHV.

De afgelopen week, de afgelopen werkweek, is het me behoorlijk gelukt om de energie te bewaren.
Ik ben vrolijk, ondanks de druk en de drukte en ik kan daarmee anderen stimuleren.
Ik werk wel wat over, maar met mate, en ben in die tijd ook daadwerkelijk productief.

Ik ben vrolijk.
Ik flirt met het leven.

Vrijdag 11 juli

Het is een bijna goddelijke ervaring.

Ik wandel de berg af, muziekjes op mijn oren.
De zon schijnt al fel, ondanks het vroege tijdstip.
Ik zing mee, neurie mee, sta regelmatig stil.
Kijk naar boven, naar de stad die ik achter me laat. De stad die een gouden glans heeft, zo in de zon.

Na ongeveer 40 minuten lopen bereik ik de kerk.
Een witte kerk, aan een groot plein.
Ook binnen veel wit.
Weinig versiersels, fijn, die eenvoud, zodat je je wel moet richten op de dingen die er echt toe doen, zodat je je wel moet richten op je binnenkant.

Ik ga op 1 van de achterste kerkbanken zitten. Rechts van mij staan de biechtstoelen, sommigen met een brandend lampje, in gebruik.
Fascinerend heb die altijd gevonden, het idee dat je zo je leven deelt met een vreemde. Of delen... dat je een monoloog voert en dat iemand zegt dat het goed is. Dat je misschien hele erge dingen gedaan hebt, maar dat het goed komt.

Toeristen lopen langs me, al dan niet geleid door een al dan niet fluisterende gids met een parapluutje in de lucht.
Ik ga echt zitten, echt kijken, sluit me af, kijk naar mezelf.
Ik denk aan Lief.
Waarom denk ik aan Lief?
Waarom is een mens toch geneigd om te blijven denken aan de dingen, aan de mensen die men los moet laten, aan de mensen die zichzelf al  hebben losgeweekt, of losgerukt?
Waarom denk ik nog aan hem, en waarom moet ik mezelf steeds inhouden hem niet te mailen?
Waarin blijf ik toch steeds hangen in iets zonder toekomst?

Wat is juist hierin? Is het goed me inderdaad in te houden, of moet ik mijn impulsen volgen?

Ik huil, ik voel opeens hoe de blikken van de toeristen langs mijn gezicht glijden, langs mijn tranen.
Ik kan ze niet wegvegen, ik kan niet bewegen, ik kan het alleen maar laten gebeuren.
Waar zijn nu de woorden van de priesters, de paters, of hoe heten die mannen in die zwarte jurken, waar zijn ze.
Waar zijn hun stilzwijgende geruststellende knikjes, hun prevelende lippen, hun troostende vingers.

Ik ben naakt, ik ben kwetsbaar.

Op dat moment voel ik een hand op mijn rechterschouder. Een warme hand.
Ik kijk om, er staat niemand.
De hand voel ik nog steeds.
Mijn tranen krijgen een andere lading, geven rust. Geven, ja, ik durf het woord bijna niet te noemen, geluk.
Mijn naaktheid, mijn kwetsbaarheid heeft me doen ontvangen.

's Avonds ga ik naar een concert van een koor in de Fransiscusbasiliek.
Ik probeer me los te maken van de mensen om me heen. Het koor komt uit Amerika, en alle Amerikaanse toeristen zijn verenigd, en laten zich horen en neemt constant foto's terwijl het koor niet van z'n plek komt, dus de honderden foto's zullen eender zijn.
Ik probeer me los te maken, me niet te irriteren, probeer me te verbinden met de muziek.

Ik denk terug aan een concert van de zigeuner Goran Bregovic. Ik zat in Paradiso, me niet meer bewust van de mensen om me heen, zelfs niet met de mislukte date die nog naast me zit. Ik open mijn handen, leg ze in mijn schoot, de palmen van mijn hand naar boven gericht.
Ik voelde de energie mijn enige hand inkomen en stromen naar de andere hand. Ik straalde, ik werd opgeladen.
Nu zit ik hier weer, in deze met vele fresco's versierde kerk, koormuziek, mijn palmen naar boven.
Ik luister, ik ervaar, ik voel een hand in mijn rechterhand.
Ik hoef niet te kijken, ik weet dat ik geen hand zal zien, geen hand ander de mijne, maar de hand is er wel. Een warme hand.

Nu het dagelijkse leven zijn gang weer heeft genomen neemt de snelheid toe, soms ook de onrust, en staat een voorbijrennen op de loer.
Soms, opeens, sta ik stil en voel ik de handen. Visualiseer ik de handen, ervaar ik de handen.





Zaterdag 12 juli

Het zat er aan te komen.
Limiet dataquota overschreden.
Hoop mailtjes over en weer tussen mij en de provider, vooral over een oplossing die geboden is die geen oplossing blijkt te zijn.
Dus ben ik nu bezig mijn plaatjes te verkleinen. Dat is nogal een werkje, als je al schrijft vanaf november 2003, en dat je, als je de plaatjes verkleint, ook de tekst steeds weer op een nieuwe plek moet zetten.
Nu even heel erg tijdelijk meer schijfruimte, om weer andere dingen te kunnen verwijderen.
Hoe was het ook alweer? 1 Stap achteruit om er 2 vooruit te komen? Of andersom?
Overigens gaat het goed met me.
Stabiel grijs goed.

Dinsdag 29 juli

Bij het uit het rek pakken van mijn fiets kijk ik omhoog.
Een luchtballon.
Een glimlach op mijn gezicht.
Ooit stond ik er zelf in.
Zweven over mijn stad, en verder.
Over Annie, die met een geruite theedoek staat te wuiven in haar tuin.
Over mijn eigen straat.

Ik stap op de fiets, zet de MP3 speler aan, zet mijn voeten op de trappers, breng mijn kruis op het zadel.
Mijn blik half op de weg, half op de ballon gericht.
Ik fiets wat harder, probeer dichterbij te komen. Het lijkt of de ballon mijn spelletje meespeelt.
Ik word vrolijk van de muziek, ik word vrolijk van de ballon.
Fiets de lange straat in naar mijn huis. Ouders staan met hun kinderen op de stoep, te kijken naar de best laag vliegende ballon.
Heb het gevoel dat ik in een zwart wit film rijd, dat ze niet weten wat ze zien, een wonder, een bedreiging en dat alleen ik en de ballon van deze tijd zijn. Zo iets groots, zo dichtbij. De ballon volgt mijn route, ook de laatste meters, en ik leg ze af met een gelukzalige glimlach. Of nee, een brede glimlach zelfs, overlopend van geluk.
En dat durf ik te denken, en dat durf ik hier zowaar neer te zetten.

Donderdag 31 juli

ZoŽn 10 minuten voordat de trein mijn thuishaven zal bereiken komt deze tot stilstand.
Blijft deze tot stilstand zijn.
De mensen om me heen morren. Bellen luidruchtig met thuis over de vertraging. Mopperen over een overstap. Klagen over de NS.
Dan wordt er omgeroepen dat er een nog onbekende man langs en op het spoor loopt en dat ze niet kunnen rijden zolang de man niet gepakt is. Nieuwe reden tot klagen, waarom wordt die man toch niet gepakt.

Sander, denk ik.
Sander, die nu voor de trein uitloopt, een laatste poging om zijn punt te maken, om dwars te liggen.
Bij wie woorden als debatteren, chambreren, dogmatiseren als vanzelf over zijn tong rollen.

Aan wie ik leiding gaf op mijn vorige werk, naast wie ik zat in de OR.
Breedsprakig, humoristisch, irritant soms, betrokken, aanwezig.
Mooi vertellend over muziek, taal, druiven.
Kwetsbaar, na zijn scheiding.
Oprecht vriendelijk, bij mijn afscheid.

En nu is Sander dood.
Afwezig.

De mail bereikt me op mijn werk.
Het beeld dat geschetst wordt laat me niet los.
Een hartaanval op de fiets, reanimeren mocht niet baten.

(Re)animeren, wel een woord dat bij hem past(te).

juli 2008