Vrijdag 11 juli
Het is een bijna goddelijke ervaring.
Ik wandel de berg af, muziekjes op mijn oren.
De zon schijnt al fel, ondanks het vroege tijdstip.
Ik zing mee, neurie mee, sta regelmatig stil.
Kijk naar boven, naar de stad die ik achter me laat. De stad die een gouden glans heeft, zo in de zon.
Na ongeveer 40 minuten lopen bereik ik de kerk.
Een witte kerk, aan een groot plein.
Ook binnen veel wit.
Weinig versiersels, fijn, die eenvoud, zodat je je wel moet richten op de dingen die er echt toe doen, zodat je je wel moet richten op je binnenkant.
Ik ga op 1 van de achterste kerkbanken zitten. Rechts van mij staan de biechtstoelen, sommigen met een brandend lampje, in gebruik.
Fascinerend heb die altijd gevonden, het idee dat je zo je leven deelt met een vreemde. Of delen... dat je een monoloog voert en dat iemand zegt dat het goed is. Dat je misschien hele erge dingen gedaan hebt, maar dat het goed komt.
Toeristen lopen langs me, al dan niet geleid door een al dan niet fluisterende gids met een parapluutje in de lucht.
Ik ga echt zitten, echt kijken, sluit me af, kijk naar mezelf.
Ik denk aan Lief.
Waarom denk ik aan Lief?
Waarom is een mens toch geneigd om te blijven denken aan de dingen, aan de mensen die men los moet laten, aan de mensen die zichzelf al hebben losgeweekt, of losgerukt?
Waarom denk ik nog aan hem, en waarom moet ik mezelf steeds inhouden hem niet te mailen?
Waarin blijf ik toch steeds hangen in iets zonder toekomst?
Wat is juist hierin? Is het goed me inderdaad in te houden, of moet ik mijn impulsen volgen?
Ik huil, ik voel opeens hoe de blikken van de toeristen langs mijn gezicht glijden, langs mijn tranen.
Ik kan ze niet wegvegen, ik kan niet bewegen, ik kan het alleen maar laten gebeuren.
Waar zijn nu de woorden van de priesters, de paters, of hoe heten die mannen in die zwarte jurken, waar zijn ze.
Waar zijn hun stilzwijgende geruststellende knikjes, hun prevelende lippen, hun troostende vingers.
Ik ben naakt, ik ben kwetsbaar.
Op dat moment voel ik een hand op mijn rechterschouder. Een warme hand.
Ik kijk om, er staat niemand.
De hand voel ik nog steeds.
Mijn tranen krijgen een andere lading, geven rust. Geven, ja, ik durf het woord bijna niet te noemen, geluk.
Mijn naaktheid, mijn kwetsbaarheid heeft me doen ontvangen.
's Avonds ga ik naar een concert van een koor in de Fransiscusbasiliek.
Ik probeer me los te maken van de mensen om me heen. Het koor komt uit Amerika, en alle Amerikaanse toeristen zijn verenigd, en laten zich horen en neemt constant foto's terwijl het koor niet van z'n plek komt, dus de honderden foto's zullen eender zijn.
Ik probeer me los te maken, me niet te irriteren, probeer me te verbinden met de muziek.
Ik denk terug aan een concert van de zigeuner Goran Bregovic. Ik zat in Paradiso, me niet meer bewust van de mensen om me heen, zelfs niet met de mislukte date die nog naast me zit. Ik open mijn handen, leg ze in mijn schoot, de palmen van mijn hand naar boven gericht.
Ik voelde de energie mijn enige hand inkomen en stromen naar de andere hand. Ik straalde, ik werd opgeladen.
Nu zit ik hier weer, in deze met vele fresco's versierde kerk, koormuziek, mijn palmen naar boven.
Ik luister, ik ervaar, ik voel een hand in mijn rechterhand.
Ik hoef niet te kijken, ik weet dat ik geen hand zal zien, geen hand ander de mijne, maar de hand is er wel. Een warme hand.
Nu het dagelijkse leven zijn gang weer heeft genomen neemt de snelheid toe, soms ook de onrust, en staat een voorbijrennen op de loer.
Soms, opeens, sta ik stil en voel ik de handen. Visualiseer ik de handen, ervaar ik de handen.