Zaterdag 1 juli
Bij de achterburen hebben ze muziek opstaan waarbij ik John Denver associaties krijg maar dan vrolijk. Beetje country, beetje blues, beetje met van die wasborden, ik weet er even de naam niet voor. Ze draaien het vanuit de auto, en voor hun huis staan jong en oud met elkaar in de rondte te springen en te dansen en ik lach, ik lach het leven toe.
In de stad is het theater niet ver te zoeken, je ziet een groep mensen, je hoort gelach, en middenin een act.
Met de musketiers ga ik naar een voorstelling van de Warme Winkel. Vorig jaar erg bijzonder, wij op een tribune in een winkel, zij buiten op straat, lieve scènes maken met willekeurige voorbijgangers.
Dit keer in een theater, en weinig lucht.
In theater mag best een diepere laag zitten, sterker nog: ook al krijgt het publiek een kant en klaar verhaaltje voorgeschoteld dan nog gaat het zoeken naar een betekenis.
In de NRC schrijft Kester Freriks het volgende:
Terschelling, 23 juni. „Theater is een perverse kunstvorm. Het is onwaarachtig. Het publiek houdt van onwaarachtigheid. Ook het publiek is pervers”, sneert een van de personages in Totaal Thomas door het jonge gezelschap De Warme Winkel. De striemende woorden van de Oostenrijkse toneelschrijver Thomas Bernhard laten de overwegend welwillende toeschouwers op het Oerol Festival op Terschelling schrikken. De code van wederzijdse vriendelijkheid wordt doorbroken. En dat zorgt voor commotie.
De acteurs van De Warme Winkel zijn getalenteerde kwelgeesten. Het begint zo: speler komt op, wast zich, kiepert een emmer water over zich heen, schildert met zwarte lijnen een Davidsster op zijn buik. De anderen hebben groene takken aan hun zwaaiende handen gebonden. Allen gaan af, komen terug, vragen én ontvangen na drie minuten spontaan applaus. Natuurlijk is dit absurd, natuurlijk pesten ze.
Totaal Thomas is een hoogtepunt op het festival, een van de weinige verontrustende voorstellingen ook. Het gaat over theater en publiek. Alle enthousiasme wordt de kop ingedrukt. ‘Ga eerst, toeschouwers, eens kritisch oordelen’, luidt de boodschap. Niet alles verdient lof.
Het kan allemaal zijn, ik dacht het al te zien, maar vandaag wil ik worden vermaakt, en blote piemels vergelijken kunnen dat doen maar niet een uur lang en ik stink naar rondvliegende yoghurt.
Bij de naborrel spreek ik met 1 van de musketiers af wat we ieder jaar weer roepen: in het najaar hebben we allebei een plan met wat wij op het festival zouden willen brengen.