Sammy


VANDAAG

EERDER LEVEN

ANDER LEVEN

MEE KIJKEN

MEE LEVEN


Sammy
Donderdag 1 januari
uitzicht vanaf de hotelkamer in Montreux
Lausanne
Vrijdag 2 januari
Met de Golden Pass van Montreux naar Zweisimmen,
van daar door naar Interlaken.
Extra uitstapje naar Grindelwald.

Zaterdag 3 januari

Laatste paar uurtjes Zwitserland, in Basel.
Bevroren kunst van Jean Tinguely.

Zondag 4 januari

Als ik één ding kan is het liefhebben.
Dat lijkt niet veel bijzonders, maar ik ben er trots op. Ik heb het geleerd zoals een zwerfhond leert zwemmen: omdat hij met de rest van de worp in een jutezak werd gepropt en in een snelstromende rivier is geworpen.
Die ene die het tegen alle verwachting in gered heeft, dat ben ik. Met in mijn oren nog het gejank van degenen die het niet haalden, moest ik leren ergens van te houden.
Ik ben niet onder gegaan.
Ik heb de kant bereikt.
Ik heb lief.
Andere mensen dragen hun verdriet in hun hart. Ongezien holt dat hen vanbinnen uit. Het is mijn redding geweest dat ik mijn verdriet aan de buitenkant draag, waar het niemand kan ontgaan.

uit: Een schitterend gebrek - Arthur Japin

Woensdag 7 januari

Mijn rechterbuurvrouw heeft vanmorgen een kopje thee gedronken, Earl Grey, en een beschuitje.
Mijn linkerbuurman een boterham met pindakaas. De buurman rechtsvoor heeft een lekker kontje en de vrouw linksvoor is vergeten een stukje ei te verwijderen uit haar rechtermondhoek.

Het aantal mensen dat normaal gesproken in 5 treinstellen past moet er nu in 1. Op het eerste stukje kan ik nog lezen, op het 2e stukje is dat door ruimtegebrek onmogelijk. Ik leer mijn medereizigers van zeer dichtbij kennen.

Dat gebeurt de laatste dagen ook met een mooi mens. Een medemens. Een man.

Zondag 11 januari

Omdat het maar niet lukt om de muziek te uploaden, en dit nummer nog niet op YouTube staat, dan maar alleen de tekst.
Computers... zucht...

Maarten van Roozendaal - Liefste voor één nacht

En we doen alsof het normaal is
Ik hier achter jouw billen
Jij je sleutel in het slot
Let maar niet op alle rotzooi
Is niet erg, moet je bij mij zien
He, best een geinig huis, zeg
En speel je ook gitaar
Nee, doe me maar een biertje
Want van thee moet ik zo pissen
Ze is prachtig als ze lacht
Mijn liefste voor een nacht

Eerst wat koetjes, dan wat kalfjes
Jij hebt een kat, die heet Dolf-Jan
Net als je vader, da's toch ook toevallig, zeg
En vroeger had je hamsters en marmotten
En je broertje, heel bijzonder, had een witte papagaai
En nu weet ik hoe je kat heet
Maar ik weet nog niet hoe jij heet
En jij weet niet hoe ik heet
En wat maakt het eigenlijk uit
Je zal straks wel Carla heten of Annette
Ben ik Anton
Wat ben je schit'rend als je wacht
Mijn liefste voor een nacht

Volgens jou ben ik een weegschaal, want we doen een goed gesprek na
Nou 'n ram dan ben je stier natuurlijk, zelf ben je vissen
Dus vandaar, dat het zo klikt
En wat hebben we staan dansen
Vind je het goed als ik ga douchen, wil ik ook wel
Nou oke dan en je rijkt een handdoek aan
Jij kijkt niet hoe ik mij uitkleed
Dus ik kijk niet hoe jij je uitkleedt
Min ogen dicht tegen het water
O mijn God, wat ben je zacht
Mijn liefste voor een nacht

En nu je naast me ligt te slapen
Met je knieen opgetrokken
En ik streel je kleine voeten
En ik kus je moedervlek, denk ik
Als we nu straks samen gaan ontbijten
Misschien ben jij chagrijnig of nog erger
Draag je een duster of pantoffels als konijnen
Drink je jus d'orange uit pak
Vind dat ik 's morgens niet mag roken
Vind het stom, dat ik geen thee wil
Want van zoveel zwarte koffie
Help je toch je maag naar God
En dan schreeuw ik: "Ach mens, zeur niet!"
En dat zou toch zonde wezen
Als je net nog hebt gevreeen
Alsof het echte liefde was
Dus op min tenen in m'n kleren
En de trap kraakt: zo, dat was 't
Ik heb niet eens meer wat geschreven
Op een oude enveloppe
En we zijn dan nu wel maanden later
Maar misschien, dat als je dit hoort
Je in elk geval zult denken
Hij heeft nog wel aan me gedacht
Mijn liefste voor een nacht

Dinsdag 13 januari

In de wereld staan met het gevoel dat ik mooi ben.

Een mooi mens.

Dat ik er mag zijn.

Ook al wordt dat niet door een ander zo ervaren.
Niet structureel althans.

Misschien maar voor een paar dagen,
waarschijnlijk voor een paar dagen
maar waarin alles even mogelijk lijkt.


In de wereld staan.
Elisabeth Kaldeway

Woensdag 14 januari

Het is aan het einde van Een schitterend gebrek dat Meneer Japin en ik elkaar weer vinden.
In het begin kom ik er niet in, ik kan er maar niet aan wennen dat de ik-figuur een vrouw is, zo zonder waarschuwing.
Dan kom ik er in, lees ik in de trein voor het dichtvallen van mijn ogen.
Dan weer bewandelt hij een weg waarop ik niet mee wil. Maakt hij veel korte tussenstops zonder ze de aandacht te geven die ze mogelijk zouden verdienen.
Maar de laatste pagina's raken me.
De laatste bladzijden gaan over mij.

Zij die het boek nog willen lezen dienen nu een oogje toe te knijpen.

Teveel jaren heb ik liefde verward met verlangen. Van jongs af aan zag ik mensen hunkeren. Sommigen gingen op jacht om liefde te veroveren. Anderen wachtten thuis af, ongedurig, tot iemand het hun aan kwam bieden. Er werd over gesproken als iets wat je móest hebben. Had je het nog niet, dan moest je het absoluut zien te krijgen. Liefst zo snel mogelijk. Had je er al van gehad maar was je het weer kwijtgeraakt, dan diende het met dezelfde haast vervangen te worden.

(...)

Degenen die niet op één bepaalde liefde aasden, oogden daarom niet minder ongelukkig. Zij wachtten braaf af tot op een dag de juiste langs zou komen om hun liefde te schenken. Als het zover was en hun geluk naderde, trokken ze de deur open en renden het tegemoet. Zij stelden zich op aan de kant van de weg met uitgestrekte armen en hielden beide handen op om dat waarop zij zo lang hadden gewacht eindelijk te ontvangen. Vol onbegrip bleven zij achter wanneer hun uitverkorene, afgeschrikt door zoveel gretigheid, rechtsomkeert maakte. Ten slotte raakten ze, wanneer na jaren nog niemand hun had aangeboden wat ze zo graag wilden hebben, in de put, en verloren ook de laatste liefde nog, die zij voor zichzelf voelden.

(...)

Mijn liefde leefde, niet omdat ik werd bemind, maar omdat ik zelf liefhad!

(...)

Wij zijn ongelukkig omdat wij denken dat we lief moeten hebben. Om gered te worden moeten wij iets eenvoudigs doen dat ons desalniettemin het zwaarst van alles valt: wegschenken waarnaar wij juist het meest verlangen.
Niet hebben, maar geven.

Ik word dezer dagen gedreven door een energie die me vreemd is.
Misschien verkregen toen de ontsteking zich een weg naar buiten baande door mijn lichaam.
Misschien verkregen door weer even op reis te zijn.
Misschien verkregen door weer even aangeraakt te worden.

Ik word ongeduldig, geïrriteerd zelfs, als anderen mijn tempo niet volgen.
Ik maak kontakt, met anderen, met mezelf, vind dat iedereen mij net zo leuk moet vinden als ik mezelf momenteel.
Verbeeld me dat de mensen ook terugkijken, dat de mannen mijn blik graag vangen.

Gedreven door een wat onwennige daadkracht.

Zaterdag 17 januari

Als ik uit de douche stap ligt er een sms met een terechtwijzing op me te wachten.
Ik reageer er niet op, geen zin om sorry te zeggen, maar ik laat zoiets maar moeizaam los.

Sta de hele dag op de Vakantiebeurs.
De hele dag vertellen hoe ontzettend leuk mijn werk is en de reizen die ik verkoop.
Het gaat me goed af, ik blijf stralen als ik over mijn werk praat.

Hoe zwaar het de komende tijd ook gaat worden.
Ik heb een opdracht op mijn schouders liggen, het begin dient maandag te worden gemaakt.

Vandaag hoef ik niets. Helemaal niets. Behalve misschien even boodschappen doen.
Word gebeld als ik nog in bed lig.
Het zat er aan te komen.
Woensdag kreeg ik een mail waarin gezegd werd dat mijn vader zijn verjaardag zondag viert en de vraag of we zouden blijven eten.
Stom van mij, was zijn verjaardag vergeten en werd meteen vergiftigd door het gevoel dit weekend niet helemaal voor mezelf te hebben. Bedenk uitgangen om niet te hoeven gaan, of om nu nog niet te hoeven beslissen.
Lees gisteravond de gemiste oproep van mijn ouders. Heb geen zin meteen terug te bellen. Voldoe volkomen aan de kindrol waarin ik mij gedrukt voel. Het telefoontje vanmorgen is wederom van hen. Na een uurtje bel ik terug. Ze maken zich ongerust. Ik kat wat, voel me aangetast in mijn zelfstandigheid, mijn zelfredzaamheid maar had dit natuurlijk vóór kunnen zijn. Creëer nog een ontsnappingsmogelijkheid voor morgen.

Vloek hartgrondig bij de valpartijen van de Nederlandse schaatsers.

Dinsdag 20 januari

Gisteren is iets in gang gezet en de stilte die ik hoopte is gekomen en is een weldaad.
Vandaag is de stilte onrustig en niet tevreden stemmend.
Heb ik overwerk nodig om weer enigszins de stilte te kunnen ervaren.

Als ik de envelop in de brievenbus doe hoor ik een feestelijk muziekje.
Het komt uit de gleuf van de bus.
Het speelt een mij onbekend melodietje, achter elkaar.
Waarschijnlijk is de batterij op als het aankomt bij degene voor wie de envelop bestemd is.
Wie weet een felicitatie voor president Obama.

De trein rijdt langs het station waar gisteren nog een meisje onder de spoorbomen doorliep, om daar gegrepen te worden door een niet opgemerkte intercity.
Margrietje, Margrietje, hoe heb je ooit die stap kunnen zetten?
Hoe heb je ooit op die bewuste zondag je fiets kunnen parkeren tegen het hekje van de spoorwegovergang en welbewust die passen kunnen zetten? Je blik kunnen richten op die driehoek van geel licht en geen stap opzij meer kunnen en willen zetten, het leven in.

Yes we can.

Misschien niet allemaal.
But I can.
Because I want.

Woensdag 21 januari

Is het doordat er nu eenmaal een overdaad aan dit soort gedachten in mijn hoofd zit?

Boven de stoelen van de trein komen maar kleine stukjes hoofd tevoorschijn. Schuin tegenover me een hoog voorhoofd met rimpels en grijs haar. Dat hoofd gaat wild op en neer. Ik denk aan seks. Ik maak mijn nek langer, zie dat de man een scheerapparaat hanteert. Wel 10 minuten lang. Ik denk aan de minnares waar hij naar op weg zal zijn.
Waarom kan ik niet gewoon bedenken dat de man net uit het vliegtuig komt, op weg naar huis is, zich wil opknappen voor als hij straks zijn vrouw zoent, na een paar dagen, een paar weken afwezigheid?

Binnen een paar keer virtueel kontakt hangt er spanning.
Met bijna wie dan ook met wie het kontakt iets langer duurt, zolang van de andere sekse.
Bij mij meestal een relatiespanning, bij de ander seksspanning.
En omdat ik wel snap dat die ander geen relatie wil, omdat ik al blij mag zijn met de ontvangen aandacht, geef ik de ander mijn al dan niet virtuele lichaam.

Mijn lichaam heeft nooit waarde gehad. Het is vroeger niet aangeraakt, niet gestreeld, niet gewaardeerd. Dat heeft zich in me genesteld. De mannen die het als eerste aanraakten gaven het een waarde. Een negatieve waarde. En die waarde was ik, niet alleen mijn lichaam. ik viel er mee samen.

Vreemd eigenlijk, dat ik juist mijn lichaam inzet, juist datgene wat zo weinig van waarde is, in een poging de ander gunstig te stemmen.
Toch stiekem in een poging mezelf iets te bewijzen, iets van een tegendeel, iets van een waarde of zo.

En iedere keer neem ik me weer voor om dit keer niet zo'n vrouw, niet zo'n meisje te zijn.
Maar met mij date je nu eenmaal niet, niet zonder seks, en zeker geen 2e keer. Op mij word je niet verliefd. Daar zijn andere vrouwen, andere meisjes voor.

Dat ik dit kan denken zonder heel erg depressief te worden.
Hooguit een beetje somber.
Om het leven dat ik leef.
Om de mens die ik ben.
De vrouw die ik niet wil (er)kennen.

Vrijdag 23 januari

Dat je praatje over rust en productiviteit alleen maar stress en verlamming veroorzaakt.
Dat je weet dat iemand thuis zit te huilen vanwege een genomen beslissing die jij hebt mogen brengen.
Dat je dingen belooft die je niet waar kunt maken.

Dat je mensen in de weg zit en mensen jou ook.
Een jongen die bedenkt de straat over te steken terwijl ik hem net op de fiets passeer.
Het drukke station, bij iedere stap kom je terecht op het pad van iemand die rent naar een perron waar een trein al dan niet nog staat te wachten.
Een auto, een bestuurster, op een zeer gevaarlijk kruispunt, waar ooit maandenlang de witte contouren zichtbaar waren van het omgekomen lichaam, die vindt dat zij mij geen voorrang hoeft te verlenen, terwijl de regels anders zijn, terwijl zij droog zit en ik doorweekt ben.

Maar het salaris is binnen.


Dinsdag 27 januari

Op mijn traject rijden Duitse treinen. Die hebben coupeetjes, voor 5 personen.
De laatste dagen vertrek ik vroeg, heel vroeg, de trein heeft mijn stad nog als vertrekpunt.
Ik heb vaak een coupeetje voor mezelf nog. Ik laat het licht uit, ik neem de ruimte.

Op het volgende station stappen mensen in. Dat past niet bij dit vroege uur. Op dit soort tijden hoor ik een beetje zielig te zijn, zoals vroeger tijdens weekenddiensten, waar ik bijna de enige in de trein was, waar ik zelfmedelijden kon hebben, waar ik nog even helemaal op mezelf mocht zijn.

Nu niet zielig dus. Heel normaal eigenlijk, om om half 7 al in de trein te zitten. Dat doen meer mensen, zo vroeg naar hun werk gaan. Burgerlijk zelfs.
Die mensen lezen gratis kranten. Praten met elkaar. Bellen met thuis, waar ze net vertrokken zijn.
Die mensen schuiven meteen de deur van de coupé dicht zodra ze zijn gaan zitten.
Zoals mensen in hun tuin ook als eerste de schuttingen en de heggen plaatsen, afscheiden, afbakening van het territorium.
Dit is van mij, en dat jij nu eenmaal ook in die ruimte zit nemen we voor lief.

Ik ben er niet, niet echt. Niet lijfelijk. Val verrassend genoeg niet in slaap. Ik lees. Ik kijk wat naar buiten zonder te zien. Zonder te zijn.
Ga op het grote Centraal Station op in de massa.
Zoals Claude Hooper Bukowski in Hair, als hij voor het eerst van zijn leven in New York loopt, waar hij zich moet melden voor militaire dienst.

Where do I go
Follow the river
Where do I go
Follow the gulls

Where is the something
Where is the someone
That tells me why I live and die

Het lukt me nog niet op dit tijdstip, met dit donkere licht nog buiten, met dit gevoel van er geen deel van uit te maken, dat andere lied te laten doordrengen: Let the sunshine in.

Woensdag 28 januari

Aan het begin van de dag een hele map vol, talloze dossiers, aan het einde van de dag zijn ze weg.
Ik werk snel en nauwgezet, wetende dat ik nog een map in mijn tas heb met eigen dossiers, die zwaar op mijn schouders rusten, waarvoor ik later nog tijd hoop te hebben. De map blijft onaangeroerd in mijn tas.
Ondertussen komen mails binnen, mails die mijn stemming niet verbeteren, zeker niet de mail die ik krijg vlak voor het afsluiten.

Een oude vrouw fiets met 2 poedels die een eigen wil hebben. Ze fietst tegen de richting in, de poedels gaan alle kanten uit.
Ook de mijne. 1 Poedel, met kort gebroken wit wollig haar dreigt in mijn voorwiel te lopen.
Ik grijp niet in.
Het kan me niet schelen of die hond tussen de spijlen van mijn wiel verstrikt zal raken en de gebroken witte haren rood zullen kleuren van bloed. Het kan me niet schelen of ik op de grond zal belanden met waarschijnlijk een gat in ongeveer de enige broek waar nog geen gat in zat. Het kan me niet schelen dat de vrouw dan heel hard gaat gillen.
Gil maar kreng, denk ik. Ik kan haar niet zien als een schattig oud vrouwtje dat nog zo leuk fief is en zo gezellig met haar schattige hondjes op stap is. Gil maar kreng, denk ik, met je kuthondjes. Denk ik. Of zeg ik hardop. De poedel rent net op tijd een andere kant op, naar het wiel van een andere fietser, ik hoor de scherp piepende remmen schuin achter me.

Mijn darmen spuiten zich leeg, maar mijn buik wordt er niet kleiner van.
Ik zit mij en anderen in de weg, ik kan even niemand zien.
En mezelf al helemaal niet.

Donderdag 29 januari

Gelukkig is er iets zieligs op tv, mijn tranen stromen.

Ik heb 's ochtends een time out, tijd om mijn eigen dingen af te krijgen, maar het lukt niet echt. Teveel dingen tussendoor.
Vervelende roosterdingen. Vervelende klachtenmensen. Vervelende haastmail.
Van alle kanten wordt de druk opgevoerd.
En ik ga al die kanten op en word er niet rustiger van.
Een klant belt. Maandag zat ze nog tegenover me, nu heeft ze aanvullende vragen.
Ze haalt het bloed onder mijn nagels vandaan. Gewoon, door wie ze is, door de vragen die ze stelt, de manier waarop ze die stelt.
Ik tel tot 10.

Collega's die me goedbedoelde tips geven maar die verkeerd bij me aankomen.
Ik tel tot 10.

In de trein een mevrouw die zich zo vaak achter elkaar hardop blijft verbazen dat ze in een internationale trein zit, geweldig, fantastisch, hij rijdt, ongelovelijk, heb je ooit zo iets gezien. Zo vaak dat ik me afvraag of ze een mongooltje is.
Bij mij hebben ze dat ook gedacht.
Toen ik 6 weken oud was moest ik het ziekenhuis in met een navelbreuk. Ik heb daar 6 weken gelegen. Er werden tests gedaan. Ik kreeg opeens ander voedsel, reageerde daar niet goed op. Mijn ouders werd wijsgemaakt dat ik een mongooltje zou kunnen zijn. Ze zijn het lang blijven geloven.

Op de fiets langs dat nieuwe huizenblok, langs het spoor. Nog niet alle huizen zijn bewoond. De 2e van links, iemand jarig, slingers door de kamer, veel mensen op bezoek. De 3e van links, 2 mensen, ieder op een bank, de man torent hoog boven de lage tuinafscheiding uit. Van een afstand zie ik dat ze zich afvragen of ze hier wel goed aan hebben gedaan, hier gaan wonen, met elkaar.

En ik... ik vraag me af of ik ooit nog een normaal mens zal worden.

Zaterdag 31 januari

Ik zíe het toch.
Ik zie het, de 3 jongens die door de supermarkt lopen, 1 maakt een grap, de andere 2 kijken achterom, kijken naar mij, lachen.

Een uur geleden zat ik bij de Italiaan met Ex.
Zag bevestigd waarom we uit elkaar zijn.

Zag ook Thomas, hij blijkt bij dezelfde Italiaan te hebben gegeten. Met zijn gezin.
Thomas, met wie ik jaren geleden maandenlang de spanning opbouwde op zaterdagen in de trein.
We hadden dan beiden weekenddienst en boven de banken uit vertelden onze ogen een heel verhaal terwijl onze monden lange tijd gesloten bleven.
Ik zie hem dollen met zijn kinderen, zie hoe dol zijn kinderen op hem zijn.
Zie ook dat hij zijn vrouw omhelst.

Hoe lang kun je je ouders nog verwijten dat je de mens bent die je bent.
Zolang het veiliger is om dat hen te verwijten dan jezelf.
januari 2009