Zaterdag 4 september
Ik zet de schop in de aarde.
Het is vrijdag, half 2.
"Hallo Buurvrouw."
Ik kijk omhoog.
"Gaat het goed, buurvrouw?"
"Ja," zeg ik.
"Buurvrouw, ik wil graag dat die boom weggaat."
Ik begin te vertellen dat ik daar vanmorgen al mee begonnen ben maar dat ik hulp nodig heb voor de dikke stam en de hoge takken maar ze laat me niet uitspreken.
Zegt iets over een zaag en dat de boom hoog wordt en niet mooi. Ik beaam dat, probeer weer te zeggen dat ik al begonnen was, maar ze heeft haar punt gemaakt en doet de deur kordaat achter zich dicht.
Ik kijk de andere kant weer op, met de schop in mijn hand.
Schep dan resoluut de eerste aarde weg.
Schep net zo lang door tot er een kuil is.
Aan de ene kant probeer ik niet te denken aan wat ik aan het doen ben, aan de andere kant weten mijn tranen wel beter.
Vriendin komt.
Vrijdag half 6.
We kijken naar Poes.
Proberen alle twijfel uit te bannen.
Leggen haar dan in het mandje.
Ze ligt op de tafel. Haar lijfje gestrekt. Haar ogen open.
Vrijdag 5 voor half 8.
Ze heeft een eerste spuit gekregen. Ze kijkt me aan, likt de tafel.
Ze krijgt een 2e spuitje. De verhalen van de jonge dierenarts gaan langs me heen, Poes kijkt me aan.
Blijft me aankijken.
Ik wil het tegenhouden.
Wil haar oppakken, tegen me aan houden, haar meenemen met alle gebreken die ze nu vertoont.
"Ze is stil," zegt hij.
Het dringt nog niet tot me door dat hij daarmee bedoelt dat ze niet meer leeft.
Dat ze dood is.
Ze kijkt me nog aan.
Haar levenloze lijfje wordt in het mandje gelegd, ik neem een sprint met die mand richting auto, sterkte, zegt de receptioniste nog achter me aan.
Vrijdag kwart voor 8.
Thuis zit ik nog een tijdje met haar op schoot.
Heel langzaam kunnen we haar ogen sluiten.
Maar ze wordt nog niet koud, niet stijf.
Ze zou zo weer kunnen gaan ademen.
Haar urine druppelt langs mijn been.
Vrijdag half 9.
ik heb haar in mijn armen, in haar roze dekentje.
We leggen haar voorzichtig onder in de kuil, slaan de deken om haar heen. Ik geef haar 2 kastanjes mee, voor haar, voor Anna.
Schep de eerste aarde over het dekentje. Vriendin helpt om het gat verder te vullen.
Vrijdag 5 over 9.
We rijden naar Ex, ik wil aan de tafel van Anna zitten.
Een warme tafel, aangenaam gezelschap, ruimte gevend aan alle emoties en twijfels.
Vrijdag 11 uur.
Thuis is het stil.
De etensbakjes en kattenbak zijn weggestopt.
Met het kussen waar ze op lag kan ik dat nog niet.
De contouren van haar lijfje zijn er nog zo zichtbaar in.
Vanaf mijn plekje op de bank gaat mijn hoofd automatisch steeds opzij om te kijken hoe ze er bij ligt.
Denk ik poezenvoetjes op de houten vloer te horen.
Voel ik haar vacht nog tegen mijn gezicht.
Kijkt ze me nog aan.