Zondag 13 februari
Af en toe probeer je wat.
Ik koop vrolijke gele bakjes, met narcisbollen.
Ik zet ze op de kast waar ik tegenaan kijk als ik op de bank zit.
En ik zit veel op de bank.
Al snel schieten de groene scheuten het bakje uit.
Maar geen bloemen.
Misschien te weinig water? Te weinig daglicht?
Mijn huisarts heeft onder andere Vitamine D voorgeschreven.
De apothekersassistente behandelt me of ik een klein kind ben.
Praat hard en langzaam.
Vraagt hoe ik dit ga gebruiken.
"Het is mijn eerste keer," zeg ik.
"Maar hoe gaat u dit gebruiken?"
"Nou, het zijn druppels in een injectiespuit, ik begreep dat ik ze moet drinken...?"
Ze zegt dat ze het aan de apotheker moet vragen omdat het zo'n hoge dosering is.
Na een gesprek dat door haar harde stem nauwelijks vertrouwelijk te noemen valt krijg ik te horen dat het mag.
Ik krijg voor 2 weken mee, plus een herhalingsrecept voor 2 volgende weken.
Is dat om te voorkomen dat ik er anders zelfmoord mee pleeg?
Ondertussen krijg ik adviezen.
Goed bedoelde adviezen.
Ik heb er moeite mee.
Ik wil niet onbeleefd zijn.
Maar iedere stap die mogelijk goed zou kunnen zijn voelt als een gevecht met mezelf.
Als een richting die tegen mijn natuur in druist.
Mama zegt dat ik fruit moet eten.
Zegt dat ik zonlicht moet pakken.
Het liefst sluit ik me helemaal van de buitenwereld af.
Maar het schijnt goed weer te zijn. Het schijnt dat je dan je gordijnen moet openen.
Het kost even tijd maar vooruit, ik open ze.
Het eerste wat ik zie zijn 2 katten.
Een zwarte, en 1 die net zo gevlekt is als de mijne was.
Ik kijk als verlamd toe, terwijl de tranen over mijn gezicht rollen.
Dank je mama, ik zal nog eens naar je luisteren.
De gevlekte zit ineengedoken, de zwarte rechterop, driftig met zijn staart zwiepend.
Ze kijken elkaar aan. De zwarte kijkt af en toe een andere kant op, verveeldheid voorwendend.
Dan bollen de lijfjes verder. De zwarte begint te miauwen. Een dreigende hoge lange uithaal met het poezenstemmetje.
De gevlekte krimpt, maakt zich kleiner, maar laat het verder lijdzaam gebeuren.
Auto's komen langs, mensen komen langs, ze trekken zich er niets van aan.
Ik hoor de balkondeur van mijn bovenburen opengaan, de zwarte kat kijkt even omhoog.
De deur gaat weer dicht, de zwarte richt zich weer op de gevlekte.
Dan opeens zie ik ze beiden in een salto door de lucht gaan, ze vormen samen een kluwen met uitgestoken nagels.
Ze komen weer op de grond terecht, halen naar elkaar uit. Plukjes haar vliegen om ze heen.
Ze gaan vervolgens dreigend tegenover elkaar zitten, maar de macht is verdeeld.
De gevlekte doet een poging om zonder al teveel gezichtsverlies de aftocht te blazen. Loopt heel langzaam weg, de buik schuift over de weg, zo krom houdt ze de pootjes.
De zwarte gaat erachter aan.
Ze houden weer stil.
Dan doet de gevlekte een 2e poging.
Nu kennelijk overtuigend genoeg, de zwarte loopt met opgeheven hoofd weg aan de andere kant van de weg.
Ik droog mijn tranen.
Ga weer op de bank zitten.
Kijk naar groene scheuten zonder bloei.
Naar groene scheuten zonder toekomst.