Sammy
Sammy


VANDAAG

EERDER LEVEN

ANDER LEVEN

MEE KIJKEN

MEE LEVEN
februari 2011


Zondag 6 februari

Buiten raast het, en binnen in mij raast het.
Ik ontplof bij een kleine tegenslag en beweeg me lopend voort, ik kan niet meer tegen de stormen op.


Omdat ik me niet geheel als veertje door de wind weg wil laten waaien probeer ik wat te doen.
Ik neem kennis tot me voor een boek dat er hoogstwaarschijnlijk nooit gaat komen.
Ik lees dagelijks de verhalen op www.one11.nl, verhalen die mijn eigen wereld zouden moeten relativeren.
Ik bekijk en lees en beluister de tips die me worden aangereikt via het tijdschrift Flow dat ik van Grote Zus kreeg en via Youtube, zoals hieronder.
Je zou bijna denken dat er nog hoop is.
Zondag 13 februari

Af en toe probeer je wat.
Ik koop vrolijke gele bakjes, met narcisbollen.
Ik zet ze op de kast waar ik tegenaan kijk als ik op de bank zit.
En ik zit veel op de bank.
Al snel schieten de groene scheuten het bakje uit.
Maar geen bloemen.
Misschien te weinig water? Te weinig daglicht?

Mijn huisarts heeft onder andere Vitamine D voorgeschreven.
De apothekersassistente behandelt me of ik een klein kind ben.
Praat hard en langzaam.
Vraagt hoe ik dit ga gebruiken.
"Het is mijn eerste keer," zeg ik.
"Maar hoe gaat u dit gebruiken?"
"Nou, het zijn druppels in een injectiespuit, ik begreep dat ik ze moet drinken...?"
Ze zegt dat ze het aan de apotheker moet vragen omdat het zo'n hoge dosering is.
Na een gesprek dat door haar harde stem nauwelijks vertrouwelijk te noemen valt krijg ik te horen dat het mag.
Ik krijg voor 2 weken mee, plus een herhalingsrecept voor 2 volgende weken.
Is dat om te voorkomen dat ik er anders zelfmoord mee pleeg?

Ondertussen krijg ik adviezen.
Goed bedoelde adviezen.
Ik heb er moeite mee.
Ik wil niet onbeleefd zijn.
Maar iedere stap die mogelijk goed zou kunnen zijn voelt als een gevecht met mezelf.
Als een richting die tegen mijn natuur in druist.
Mama zegt dat ik fruit moet eten.
Zegt dat ik zonlicht moet pakken.

Het liefst sluit ik me helemaal van de buitenwereld af.
Maar het schijnt goed weer te zijn. Het schijnt dat je dan je gordijnen moet openen.
Het kost even tijd maar vooruit, ik open ze.
Het eerste wat ik zie zijn 2 katten.
Een zwarte, en 1 die net zo gevlekt is als de mijne was.
Ik kijk als verlamd toe, terwijl de tranen over mijn gezicht rollen.
Dank je mama, ik zal nog eens naar je luisteren.

De gevlekte zit ineengedoken, de zwarte rechterop, driftig met zijn staart zwiepend.
Ze kijken elkaar aan. De zwarte kijkt af en toe een andere kant op, verveeldheid voorwendend.
Dan bollen de lijfjes verder. De zwarte begint te miauwen. Een dreigende hoge lange uithaal met het poezenstemmetje.
De gevlekte krimpt, maakt zich kleiner, maar laat het verder lijdzaam gebeuren.
Auto's komen langs, mensen komen langs, ze trekken zich er niets van aan.
Ik hoor de balkondeur van mijn bovenburen opengaan, de zwarte kat kijkt even omhoog.
De deur gaat weer dicht, de zwarte richt zich weer op de gevlekte.
Dan opeens zie ik ze beiden in een salto door de lucht gaan, ze vormen samen een kluwen met uitgestoken nagels.
Ze komen weer op de grond terecht, halen naar elkaar uit. Plukjes haar vliegen om ze heen.
Ze gaan vervolgens dreigend tegenover elkaar zitten, maar de macht is verdeeld.
De gevlekte doet een poging om zonder al teveel gezichtsverlies de aftocht te blazen. Loopt heel langzaam weg, de buik schuift over de weg, zo krom houdt ze de pootjes.
De zwarte gaat erachter aan.
Ze houden weer stil.
Dan doet de gevlekte een 2e poging.
Nu kennelijk overtuigend genoeg, de zwarte loopt met opgeheven hoofd weg aan de andere kant van de weg.

Ik droog mijn tranen.
Ga weer op de bank zitten.
Kijk naar groene scheuten zonder bloei.
Naar groene scheuten zonder toekomst.

Zaterdag 19 februari

Voor het werk ga ik mee met een trein vol klanten, naar Oostenrijk.
De hele dag zorgen voor anderen, vragen beantwoorden, problemen oplossen.
Vanaf 18u sta ik er alleen voor.
Loods ik mensen de restauratiewagen in en uit.
Mag ik klanten vertellen dat de trein niet mag stoppen op het station waar ze naar toe hebben geboekt.
Steeds herhalen dat ik ook hoop dat we niet nog meer vertraging oplopen en dat er niet gerookt mag worden in de trein, ook al doen de Oostenrijkse conducteurs dat wel.

Ik slaap in een pension in een gehucht waar de straten geen namen hebben maar nummers.
Ik word wakker van de geiten in de stal naast me.

Ik ga naar Salzburg, heb daar een paar uur voordat de nachtttrein vertrekt. Het is ijzig koud.
Ik boek een tour, een hele foute, ik houd het op research voor het boek.
De Sound of Music Tour.

Maandag 21 februari

Ex is jarig, we gaan straks naar het graf van Anna, zijn moeder.
Snel ga ik nog op zoek naar een kadootje. Ik loop de boekwinkel in, waar ze achterin klassieke cd´s verkopen.
Ik zoek er naar Paco de Lucia, gitaarspeler.
Maar de muziek die opstaat leidt me af. Ontroert me.
Ik loop naar de verkoper. Vraag wat het voor muziek is. "Mooi he," zegt hij. "Ja," zeg ik, "het raakt me."
Hij vertelt me dat het David Orlowsky is. Een mengeling van Joodse klezmer en Zuid-Amerikaanse invloeden.
Ik zeg dat ik de cd wil kopen. Zie de verkoper aarzelen. Dan zegt hij dat dit zijn enige exemplaar is. Dat hij moeite heeft er afstand van te doen.
Hij laat me nog een nummer horen.
Ik zeg hem dat ik ook wel even een rondje wil lopen door de winkel, zodat hij nog even afscheid kan nemen.
Hij vermant zich, drukt op de stop-knop, doet de cd in een doosje en geeft deze aan mij.
De stilte die valt is diep.


Zaterdag 26 februari

Ik heb gewerkt, ga met de trein naar huis.
Ik sta al bij de deur als de deuren zich openen bij mijn station.
Een jongen staat voor me, hij wil langs me glippen, de trein in.
Ik maak me breed, dat is voor mij niet zo moeilijk.
Hij kijkt me strak aan.
Ik heb net geslapen, ben nog duf en kan niets anders dan strak terugkijken.
Hij wijkt, hij kan niet anders, en ik stap uit.
"Kankertyfusteringhoer," hoor ik achter me.
Doorhalen wat niet van toepassing is, denk ik. De mensen op het perron glimlachen naar me.

Ik fiets door de regen naar huis. Door een straat met huizen, auto's geparkeerd aan weerszijden.
2 Grote koplampen komen op me af.
Blijven op me afkomen.
Wijken niet.
Ik stap nog net op tijd af om de buitenspiegel van het busje te ontwijken.
Ik vloek naar de achterlichten van de auto.

Als ik het kleine paadje naar mijn schuur inrijd duikt een kat weg, onder mijn schutting door.
Ik zet mijn fiets weg, sta bij de achterdeur en zoek mijn sleutels. Ik voel wat nats aan mijn hand.
Ik kijk, een wit hondje likt de vingers van mijn rechterhand. Springt tegen me op.
"Kuthond," zeg ik, terwijl ik het wollige hoofdje aai.