MEE LEVEN

MEE KIJKEN

ANDER LEVEN

EERDER LEVEN

VANDAAG
Sammy

februari 2010
Maandag 1 februari

Een knobbel is een knobbel, ik bedoel, 1 knobbel is een knobbel en die wordt verwijderd.
Een 2e knobbel zet de deur open naar meer knobbels.

Was al niet al te dol op dit lijf, het wordt er zo niet beter op.
Voel me vervreemd, van mij, van dit lichaam dat het mijne schijnt te zijn.
Zondag 14 februari

De afgelopen 2 weken hebben in het teken gestaan van herstel.

Heb een week rond gelopen met een soort stootkussen, een dot watten met gaas erover als een mentaal soort afweer, om me minder pijn te geven als iemand tegen me aanloopt in een overvol station.
De wond geneest, de pijn is geestelijk en lichamelijk nog volop aanwezig.

Grote Broer en Grote Zus zijn komen klussen. Terwijl zij zich erg nuttig maken en zorgvuldig werken voel ik me vreselijk onhandig en mors ik verf en ben ik klein.

Op het werk ben ik de regie een beetje kwijt door het afwezig zijn, ik loop wat achter de feiten aan en werk veel over.
Ik zit wel vol plannen met verbeteringen en hoop daar wat energie uit te halen.

Zaterdag, na het werk, moeten ze aan me schudden in de trein om me te doen ontwaken bij mijn eindstation. Ondanks een gezette wekker slaap ik door Sven's goud heen, ik blus mijn woede daarover met alle mogelijke herhalingen.

Maar ook: Berlijn.

Spoor oorspronkelijke Berlijnse muur
langste stuk overgebleven muur, vlakbij Ostbahnhof, waarop kunstenaars graffiti hebben aangebracht
Beeld van Käthe Kollwitz, op Kollwitzplatz
in de wijk Prenzlauerberg,
gemaakt door Gustav Seitz.
Denkmal für die ermorderten Juden Europas
Moeder met haar dode zoon, beeld van Käthe Kollwitz, gemaakt naar aanleiding van het sneuvelen van haar eigen zoon. Beeld in de Neuwe Wache, een gebouw met een rechte voorkant, ronde muren en een gat in het plafond, waardoor het beeld bloot staat aan de elementen.
zandzakken bij Checkpoint Charlie
Gedenkstätte Grösse Hamburger Strasse, monument ter herinnering aan de Joden die in de 2e Wereldoorlog zijn omgekomen.

Zondag 21 februari

Voor het werk ga ik met een trein vol klanten naar Bludenz.
Ik voel me reuze stoer met mijn fluoriscerende gele hesje, ik straal authoriteit uit.
Bij het wakker worden herinner ik me bij het zien van het uitzicht dat ik in het buitenland ben.
Mijn trein naar huis gaat pas vanavond, ik breng de rest van de dag door in München.
De zon schijnt. Mensen flaneren door de winkelstraten, zitten met dekens over de benen op terrasjes, jassen hangen open.
Het centrum heeft behalve een aantal imposant uitziende gebouwen niet heel veel te bieden, ik ga naar museum Pinakothek.
Er zijn 3 versies, een oude, een nieuwe en een moderne. Ik ga naar die laatste, vol met moderne kunst en design. Bijzonder, dat de gebruiksvoorwerpen van vroeger nu kunst zijn, ontwerpen die opvallen qua vorm.

Donderdag 25 februari

Twee-en-een-half-uur-kwelling.
Ik vertel het meisje met de te harde stem dat ik goed ben geworden in langs mezelf kijken in de spiegel. Voor de verandering heeft ze me een keer gehoord, en ze zegt dat dat bijna niet kan. Bedoelt ze daarmee dat ik te breed ben om langs te kijken?
Terwijl ze rollers en vloeistof in mijn haar doet kwebbelt ze over de standaardonderwerpen, vakantie, haar, werk. 'Oh, enig, een reisbureau, leek me ook altijd leuk, maar ja, ik spreek geen Engels'.
Iemand maakt een opmerking over de geur van de vloeistof die over mijn hoofd wordt uitgestort. Al gauw is het hét gesprek in de kapsalon. Men probeert de geur (lees: stank) te herleiden en komt uit bij rotte eieren. Het meisje met de te harde stem giert het uit.
Een vrouw momelt neerbuigend dat je er wát voor over moet hebben en ze haalt haar neus op als ze langsloopt om haar saaie kapsel af te rekenen. Ik zeg nog sorry in het algemeen, maar niemand zegt dat ik er niets aan kan doen.
'Oh, wat leuk, wat een krullen, wat ziet het er natuurlijk uit, ik zou het ook wel willen maar dan breekt mijn haar zo af' zegt ze terwijl ze de kleine spiegel achter me houdt zodat ik het resultaat kan zien. 'Oh, wat leuk', doe ik mee 'wat enig, ik heb krullen, mooi hoor!'

Ik vlucht de winkel uit, geef geld uit aan kleding, reisboeken en make-upjes.
Alles om er toch nog iets van te maken.

Zaterdag 27 februari

Op de laatste bladzijden van het boek Verstoten van Sadie Jones zegt het vrouwelijke hoofdpersonage tegen het mannelijke hoofdpersonage dat hij deugt. 'Je deugt wel', zegt ze. Die drie woorden beuken door mijn hoofd terwijl een stem mijn uitstapstation omroept en een gillend gezelschap van ouders en kinderen met veel plastic tassen in de wegloopt bij het uitstappen.
Ik bevrijd mijn fiets van de sloten, bevestig de fietslampjes aan mijn tas, fiets naar de winkel.
Emmertje bosvruchtenyoghurt, zak chips, brood.
Ik krijg nooit meer een relatie, weet ik opeens heel zeker bij de geraspte kaas.
Wcpapier, kattenvoer, eieren.
Ik reken af, fiets naar huis, mijn weekend begint.