Zondag 24 december
Op weg naar mijn familie probeer ik in de stemming te komen en lees in het Volkskrant Magazine, die dit keer helemaal gewijd is aan ruzie.
Een stukje uit een interview van Eric Arends met relatietherapeut Jean-Pierre van de Ven:
'Ruziemakers hebben de neiging elkaar in een bepaalde rol te drukken', zegt Van de Ven. 'Bij voorbeeld de rol van degene die meteen lik op stuk geeft. Stel, jij zegt dat de kleur van mijn hemd je niet bevalt, en ik zeg direct: en jóúw hemd dan? De toon waarop ik dat zeg, roept weer een negatieve reactie bij jou op. Dat gaat een tijdje heen en weer, en dan escaleert het. Gaan we over alles ruzie maken. Omdat je steeds meer het gevoel krijgt: ik moet mijn gelijk halen, ik moet winnen.'
Waarom doen we dat? Waarom kunnen we in zo'n geval niet over onze trots heen stappen?
'Daar worden op dit moment veel spannende onderzoeken naar gedaan. Er werken in elk geval allerlei fysiologische processen mee. Er bestaat bijvoorbeeld zoiets als cognitieve fusie: het trekken van conclusies op basis van je lichamelijke waarnemingen. Je merkt dat je zweet, dat je trllt, dat je sneller en oppervlakkiger ademt - en op basis van die waarneming concludeer je dat er dus gevaar is. Maar dat hoeft helemaal niet zo te zijn. En trek je dus verkeerde conclusies.'
Je hersens worden om de tuin geleid door je lichaam.
'Ja. En hoe komt dat nou? Waarom gaan die hersens daaraan meedoen? Dat zit zo: het limbisch systeem, een diepliggend stukje in je hersenen - zeg maar het bassin waarin het emotionele geheugen is verzameld - heeft allerlei verbindingen met de neocortex in je voorhoofd. Daarmee bepaal je wat je gaat doen, daarmee concentreer je je op een taak, neem je rationele beslissingen. Bij negatieve emoties of bij grote stress blokkeert een onderdeel van het limbisch systeem, de amygdala, de toegang tot de neocortex. Met andere woorden: op het moment dat je een fikse ruzie hebt, of een negatieve emotie hebt, kun je niet meer verstandig nadenken. Je kunt niet meer nuchter analyseren. Daardoor val je terug op de automatische piloot en ga je puur vanuit je emotie handelen. Je bent niet meer bevattelijk voor wijze raad. Zo escaleert de boel.'
Bij Grote Zus is het mooi, ze heeft samen met Grote Vriend een geweldig huis en hebben 1 ruimte met een grote boekenkast en een lange tafel. Het geeft me een Annie-gevoel, en ik laat de kastanje weer in mijn hand rollen.
Grote Broer is er met zijn gezin, allemaal keurig aangekleed.
Mijn ouders zijn er, met al hun eigen aardigheden.
En ik ben er, en ik voel me weer kind en ik word stil, voel me steeds kleiner worden, en ongelukkiger.
Ik loop naar boven, om wat spullen naar de keuken te brengen. Mijn vader volgt mij.
Als we boven zijn zegt hij met zijn moeilijk hoorbare stem: kun je ook kontakt maken?
Ik ben op slag woedend, kijk hem boos aan. Dit komt van de man die op verjaardagen chagrijnig, star voor zich uitkijkt, die als hij dan iets zegt, degene naast hem lastig valt met vragen over Excell.
Zegt hij nu werkelijk dat ik hier vanavond meer kontakt moet maken?
Dan zegt hij: kun je ons wat vaker bellen om te zeggen hoe het gaat?
Ik zeg: o, ik dacht dat je vanavond bedoelde, maar geef verder geen antwoord op zijn vraag.
Ik denk: als je dat wil weten, dan bel je maar.
Besef tegelijkertijd dat ik inderdaad niet iemand ben voor beleefdheidsgesprekjes, of voor hallo, hoe is het, ik heb last van mijn rug. Ik kan er de vinger niet goed opleggen maar het staat me zo tegen, net zoals deze hele feestdagenmaand en alleen al de vraag of ik wil bellen als ik thuis ben.
Sneeuwwolken pakken samen in mijn hoofd en geven hoofdpijn.
Op de terugweg lees ik verder in het Volkskrant Magazine, een artikel over familievetes.
Zet de MP3 ondanks mijn hoofdpijn hard aan, in een poging mijn eigen familiescènes uit mijn hoofd te verdrijven.
Ik ben net binnen, heb snel Poes eten gegeven, heb mijn jas nog aan als de telefoon gaat. Het is mijn vader. We hebben gerekend, zegt hij nauwelijks verstaanbaar, en je zou nu al lang thuis moeten zijn. Ik ga ook nog uitleggen dat ik wat vertraging had en nu nog met mijn jas aansta. Ik houd het gesprek kort, leid af voordat DE vraag opnieuw gesteld gaat worden, hoor hem nog wel nadrukkelijk zeggen: we houden kontakt.
Ik wil geen kind meer zijn.
Vooral niet dit kind.