Dinsdag 4 augustus
Ah toe meneer.
Ah toe, ga nu niet naast me zitten. Ik heb mijn ruimte nodig, en er is elders in de trein nog plaats genoeg.
Ok, als u dan toch naast me zit, dan wel graag zo ver mogelijk af. Ik heb vandaag al te veel indringers gehad, mensen die meteen iets van me willen, ook al heb ik eigenlijk geen tijd, eigenlijk geen zin.
De man naast me gaat zitten lezen in een boek over Italiaanse oorlogen.
Ik slaap. Word een klein half uur later weer wakker.
Ah toe meneer.
Ga nu vast staan. Wacht nu niet tot de trein helemaal stil staat, tot de laatste medereiziger voorbij is gelopen.
Toe, sta nu op, zodat ik mijn tas kan pakken zonder u aan te stoten, en mijn spullen daar rustig in kan doen.
Toe nou.
Ik sta op, loop naar mijn fiets terwijl ik de draadjes van de oortelefoon van mijn MP3 speler ontwar.
Hee, daar fietst die leuke jongen die ook altijd in de trein van 07.00 uur heen zit. Althans, leuke jongen, hij is me opgevallen. Altijd die trein heen, althans, de keren dat ik die trein neem en niet 1 of 2 later. Nooit tegengekomen op de terugweg. Niet verwacht hem nu nog tegen te komen, laat nog, lange dag voor hem, net als voor mij. Houdt wel heel erg van blauw, altijd een blauw shirt aan. Helderblauw. Staat erg goed bij zijn blonde krullen. Jammer dat hij rookt. Jammer ook dat hij mij niet ziet.
Ik fiets, eindelijk fiets ik naar huis, ik heb zo staan treuzelen. Het begint met neuriën, ga dan hardop meezingen, leef me af en toe playbackend uit door met 1 hand te dirigeren en mijn mond wijd open te doen en geluidloos uit te halen. Een vlieg baant zich een weg naar binnen.
Oh, daar staat die leuke man in de tuin. Die ontzettend leuke man in de tuin. Echt een vreselijk leuke man. Hij keek me wel eens na, veel betekenend na. En nu weet ik waar hij woont, weet ik zelfs welke auto hij heeft. Weet ik ook dat hij getrouwd is, uit betrouwbare bron heb ik vernomen dat het een wat saaie vrouw is. Ik zou zoveel leuker voor hem zijn, zoveel beter. Diezelfde betrouwbare bron merkte op dat ik toch wel steeds op de verkeerde mannen viel. Bezette mannen. En nu staat hij daar, half in de schaduw van zijn lindeboom, wat is hij leuk.
Oh leuke man, zwaai naar me. Zie me. Zoen me, houd me vast, onder de lindeboom.
Zie me. Die woorden blijven hangen terwijl ik door fiets en door zing.
Zie me. Dat is wat me irriteert in een bepaalde werkrelatie.
Wat ik in veel vriendschappen en relaties ben tegengekomen, dat het alleen om de ander ging. Zocht ik ze uit?
Zette ik mijn opvoeding hierin voort?
Mijn schuinbovenbovenbuurvrouw ziet me.
Hoera.