Maandag 1 augustus

Bij thuiskomst word ik getroffen door de documentaire over Ramses. Als ik Zomergast zou zijn, zou die uitgezonden moeten worden.
Ik zie hem schuifelen door het Sarphatihuis, lijdzaam lijden, stil verzet.
Ik word geraakt door hem, maar ook door de gelijkenis met Annie. Stervende Annie. Mooie mensen, intense mensen. Ieder gesproken woord lijkt voor het eerst gezegd en iedere emotie ten volle beleefd.
Achter de piano valt alles van hem af en alles samen...

't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand tegenkwam

Tranen stromen over zijn wangen, en over de mijne.
Dinsdag 2 augustus

Hoe je keer op keer dezelfde fout kan maken, weten dat je het doet, zien dat je in dezelfde valkuil stapt, horen hoe het anderen irriteert, maar het niet kunnen voorkomen.

Mijn hoofd zit vaak zo vol dat als er een heldere gedachte voorbij komt, ik de neiging heb die meteen te willen uiten. Ongeacht of de ander nog in gesprek is.
Het is óf dat, óf mijn mond houden omdat ik denk dat er toch niets zinnigs uitkomt.

En zoals altijd vlucht ik meteen in extremen als ik mezelf op fouten betrap: nooit meer iets zeggen, nooit meer iets eten, nooit meer contact met wie dan ook.
Vlucht ik letterlijk: neem ik ontslag of word ontslagen, neem ik de telefoon niet meer op om te bellen of gebeld te worden, sluit ik me af en sluit ik me op.
Probeer ik te stoppen met dat wat me pijn doet en anderen pijn doet, en sleur in mijn val mee dat wat me overeind dreigt te houden.

Woensdag 3 augustus

Goede Man is nog maar nauwelijks in het dorp aanwezig, gaat helemaal op in zijn lief en zijn nieuwe dorp. Als ik hem al zie, vermijd ik hem en mijdt hij mij. En geef hem eens ongelijk, ik heb hem niets meer te bieden en als ik dat al had, dan vindt hij dat nu bij een ander. Een ander met wie hij zich wel kan vertonen, een ander die wel mooi is, intelligent, gelijkwaardig, een ander op wie iemand wél verliefd kan worden.

Ik zie een foto van hun handen, ineengestrengeld, en ik breek.
Breek en bekijk mijn eigen handen. De muggebulten, het opengekrabte korstje op de linkermiddenknokkel, de putjes waar de haartjes uit groeien. Breek en zie mijn handen, leeg. Vingers die niet aan mogen raken, niet echt, niet lang, niet geestelijk, hooguit een stukje huid voor een kortstondige bevrediging. Van de ander, welteverstaan.

Ik krijg goedbedoelde woorden van dorpsgenoten en van Grote Zus.
Maar dat wat goed voor me zou kunnen zijn glipt als zand tussen mijn vingers door terwijl ik dat wat niet goed is krampachtig vasthoud.
Donderdag 4 augustus

Zoals ik sjaals vind op momenten dat ik het het koudst heb, zo krijg ik lieve handreikingen op het moment dat ik me op m'n eenzaamst voel. En niet eentje, maar meteen vier.

Ik vind het moeilijk die handen vast te pakken, moeilijk om contact te maken op de momenten dat ik het eigenlijk zo hard nodig heb. Bang dat ik niets heb om terug te geven, bang dat het een verplichting schept, een verwachting, die ik niet waar kan maken. Mensen verwachten dat je iets met de geboden hulp doet, dat je het toch weer probeert, dat je er daarna ook snel weer over ophoudt, dat ben je ze verschuldigd.
Dat patroon is mij niet onbekend. Ik heb er vrienden mee verloren, ze gaven het op, terecht. Dat heb ik zelf tenslotte ook al lang geleden gedaan.
Overgenomen, aangeleerd gedrag, van 2 mensen die niet beter wisten en niet beter konden.
Zaterdag 6 augustus

Het meisje probeert zo snel mogelijk de hordes van het Leidseplein te nemen. Ze fietst door de regen over de gladde tramrails, ontwijkt toeristen die blind oversteken en auto´s die zich niet aan voorrangsregels houden. Boven de rand van haar heupbroek is haar rode string duidelijk zichtbaar. Het witte flubbeltje met de wasvoorschriften is groter dan de gehele rode stof. Onderbroek is een woord wat deze lading niet kan dekken.
De tramconducteurs worden steeds vindingrijker in het afroepen van de bezienswaardigheden. Het Amsterdams Hysterisch Museum komt regelmatig voorbij, evenals het Spew voor het Spui. Maar vandaag, speciaal voor alle homo´s in de stad is het Vaseline Street, voor de Reguliers Dwarsstraat.

Weer een week voorbij, waar de wijzers van de klok voortschreden, de nachten kort en onrustig, het kloppen van mijn hart pijnlijk. 
Zondag 7 augustus

De dag begint met 1, dan 2, dan 3 en daarna weer 2 en tenslotte 1.

3 Vrouwen. Vechtende vrouwen. Vrouwen die zoeken naar vaste grond om van daar uit mooie dingen te doen en mooie dingen te maken. Vrouwen die het in zich hebben, maar het zelf vaak niet zien. Vrouwen die mooier en sterker zijn dan ze zelf (willen) (kunnen) (durven) zien.
Tijdens een borrel en een kaasplank in de kroeg herstellen we de mazen in ons vangnet. Herstellen de verbindingen en kijken zo met iets meer moed naar voren, wetende dat de val niet zo diep hoeft te zijn.

Een waardevolle middag met mooie vrouwen. Langzaam komen er een paar ramen in het muurtje om me heen, wordt er een ladder aangereikt.
Als ik een man was, als ik lesbisch was, zou ik verliefd op je kunnen worden, zegt ze. Ik moet er om lachen, ik moet er van blozen, ik zou het bijna geloven.
Maandag 8 augustus

Terwijl ik het lange perron afwandel, van 8a naar 8b, zie ik hem al staan. Zijn rug is voldoende, de weerbarstige krullen, zijn jas met de bekende letters. Hij heeft het patatbakje op een electriciteitskastje neergezet en eet gulzig. Ik weet niet of hij me ziet als ik zo nonchelant mogelijk langs hem loop, maar ben me van hem bewust bij iedere stap die ik zet, in iedere spier die ik span.
Ik stap 1 deur verder dan hem de trein in, maar we nemen wel dezelfde coupé. Onze blikken kruisen elkaar als hij plaatsneemt op de achterste bank aan zijn kant en ik op de achterste bank aan mijn kant. Hij verdiept zich in zijn eten, ik in mijn boek. Hij houdt mij in de gaten, en ik hem.
De trein mindert vaart en rijdt het station binnen.
Iedereen staat op en verzamelt zich in het halletje, verlangend naar huis of zich moeten haasten voor een volgende trein. Ik sta als één na laatste op. Eén na laatste, en hij komt achter me staan. Ik voel hem, voel een hitte die ik ken, van tussen hem en mij, en van tussen mij en een ander. Weet ook hoe snel die hitte kan verkillen, hoe vuur kan bevriezen, sneeuw voor de zon.

Ik recht mijn rug.
Draai me dan naar hem om.
Dinsdag 9 augustus

Ik kijk hem van dichtbij aan met een lach op mijn gezicht en zie hem schrikken.
Thomas schrikt en wordt rood tot in al zijn haarwortels.
Hee hallo, glimlach ik, alsof ik hem nu pas opmerk. Hij stottert hallo terug. Had me al wel gezien maar nog nooit van zo dichtbij. Ik draai weer terug en stap de trein uit. Ik hoor en voel hem achter me. Doelbewust loop ik naar mijn fiets, met een zelfverzekerdheid die me vreemd is. Ik zoek naar de sleutels in mijn tas.
'Staat jouw fiets ook hier?', vraag ik.
'Nee,' zegt hij.
Ik vind de sleutels, maak de 3 sloten open en maak aanstalten om weg te rijden.
'Ik ben getrouwd', zegt hij.
'Dat weet ik,' zeg ik en rij van hem weg.
Woensdag 10 augustus

Of er een weg terug is, vraagt ze.
Ik zeg haar dat die er altijd is. Maar dat er tegelijkertijd geen terugweg bestaat.
Een weg leidt altijd ergens naar toe, altijd ergens heen. Ook al denk je dat je  dezelfde weg in omgekeerde richting bewandelt, dan nog zie je nieuwe dingen, voel je nieuwe dingen.

Goede Man mailt me, vraagt me hoe het gaat.
En ik weet het, mijn verdriet, mijn pijn gaat allang niet meer over hem.
Maar wat wel pijn doet is zijn doen alsof er niets aan de hand is, alsof er ook niet ooit wél iets is geweest. Het niet noemen van zijn relatie, waarschijnlijk uit een poging me te sparen maar het spaart me niet. Het heeft me pijn gedaan het niet persoonlijk van hem te horen, waarmee ik mij niet serieus genomen voelde, alsof mijn gevoelens er niet toe deden, niet hadden bestaan.
Het doet me pijn dat de mannen om mij heen bezit nemen van mijn lichaam maar niet verliefd worden, niet op mij.
Het zou me pijn moeten doen dat ik bezit laat nemen van mijn lichaam, dat ik niet verliefd kan zijn op mij. Dat ik ervan overtuigd ben dat liefde niet is weg-gelegd, voor mij.

Er is geen weg terug.

Donderdag 11 augustus

Vérder lees ik, alsof het over mij gaat, Uit naam van al de mijnen van Martin Gray. Tussen het slapen in de trein door, op mijn eerste vrije dag, vóór het dromen op een zeldzame avond vroeg naar bed.

Ik lees verder over het getto in Warschau en het kamp Treblinka, en zoek op internet naar een bevestiging van de beelden die ik er bij krijg. Vind ze onder andere in het concentratiekamp wat ik binnen 2 maanden zal bezoeken: Auschwitz.

Het was aardedonker in de barak. Sommige mannen huilden. Toen klonk er het geluid van een kist die omver werd getrapt, gevolgd door een gerochel. Iemand begon te bidden. Die nacht waren er meer die de dood zochten. Die ochtend hingen er vier mannen aan de balken van de barak.

Op die tweede dag leerde ik het leven en de dood in Treblinka kennen. Ik zag die dag hoe de mannen die aan het gezicht geraakt waren, de klepssudra, daarmee een brandmerk droegen dat hen ten dode opschreef. Zij moesten bij het appèl naar voren komen en werden naar het lazaret geleid. Ik zag hoe gevangenen met spaden werden doodgeslagen. Ik zag hoe de honden werden losgelaten; ik begreep waarom je voortdurend met je hoofd gebogen moest lopen, en waarom je steeds moest blijven rennen en je steeds harder moest inspannen: om ons tot grotere ijver aan te zetten schoten de Oekrainers en de SS-ers af en toe een paar van ons dood. Zij beschikten over genoeg mensen om de opengevallen plaatsen in te laten nemen. De wagons kwamen met twintig tegelijk binnen. En met honderden tegelijk kwamen zij op de perrons aan, mijn volk. Ze werden de wagons uitgeduwd, van elkaar gescheiden, mannen rechts, vrouwen en kinderen links; ze moesten zich daarna uitkleden, en wij moesten hen daarbij helpen.
Ik verzamelde schoenen, ik pakte kleren op die naar zweet roken, ik rende. Ik leerde de zakken met een snelle beweging te doorzoeken, stukken beschuit en suikerklontjes in mijn mond te stoppen, en ze zonder te kauwen door te slikken. Eén beweging van je lippen of je kaken kon de dood betekenen. Ik reinigde de wanden en de vloeren van de wagons van uitwerpselen.
Elke seconde kon de dood onder ons toeslaan. Even uitblazen tijdens je werk: de dood. Een te licht pakket dragen: de dood. Een brokje voedsel kauwen: de dood.
Ik sjouwde zakken met vrouwenhaar, dat uit de barakken kwam waar de vrouwen met een paar bewegingen van de schaar van bijna al hun haar werden ontdaan.
(...)
De naakte lichamen lagen als lianen met elkaar verstrengeld, zij waren geel van kleur, en uit hun neus was het bloed over hun gezichten gestroomd. En het was mijn volk dat daar lag. Wij deden net als de anderen, wij pakten een lijk op, gooiden het op een draagbaar, en renden. Wij stopten voor de gevangenen die met tangen in de hand de mond van de doden nakeken om de gouden tanden eruit te trekken, en we renden verder, naar de greppel die de graafmachine in het gele zand had gemaakt. Op de bodem ervan stonden gevangenen op de lijken om ze in rijen neer te leggen.
Nu had ik de bodem van de afgrond bereikt.
De bodem van het leven en de bodem van de mens.




Vrijdag 12 augustus

Ik geef mijn planten pas water als het eigenlijk al te laat is.
De kamerlindes hebben de bladeren laten hangen en het kindje op moeders schoot ligt lusteloos, op sterven na dood.
Ik geef ze water voor het slapen gaan, en hoop ze 's morgens weer rechtop aan te treffen. Soms lukt het, soms niet. Soms is een nacht voldoende om ze weer tot leven te wekken, soms heeft de dood definitief zijn intrede gedaan.

Ingrijpen als het eigenlijk al te laat is.
Tegen beter weten in hopen dat het vanzelf wel goed komt.
Zorgen dat het plaatje voor de buitenwereld in orde lijkt,
terwijl het van binnen wegrot.

Ik eet terwijl ik geen honger heb.
Koop terwijl ik geen geld heb.

Zoek erkenning bij anderen die ik mezelf zou moeten geven.
Zaterdag 13 augustus

Ze voelt koud aan, voor zo'n warm mens.
Dood-stil, maar ook nog zo levens-echt dat ze ieder moment om een peuk zou kunnen vragen.

Mijn mobiel doet het een paar dagen niet, en ik kom er niet aan toe mijn post uit de brievenbus te halen en in die tijd gaat Annie dood. Al een paar dagen ligt ze opgebaard, ligt ze in de etalage die haar woonkamer is. Al een paar dagen heeft Ex verdriet om de vrouw die hem het meeste na stond, en ik was er niet.
Maar, zoals bovenaan de rouwkaart staat waardoor het kwartje bij me valt:
'k heb zat ehad, 't is mooi ewest.

Ik ga er naar toe. Omhels Ex. Streel Annie. Ze ligt er mooi bij, in de door haar aan iedereen getoonde doodsjurk. Ik spreek familie, ik kijk naar haar. Ik kijk naar haar en streel haar hand.
Beloof haar, als ik alleen met haar ben, dat ik op haar zoon mijn ex zal letten.
Neem me voor te gaan leven.
Zondag 14 augustus

Het is dinsdagavond. Ex is iets eerder weggegaan uit zijn werk, naar zijn moeder toe. Hij is er om 3 minuten over 6. Hij pakt haar hand, zegt dat hij er is, en ze sluit haar ogen om ze niet meer open te doen.
Ze leeft nog wel. Hij voelt het aan de onregelmatige hartslag in haar hand. Zo brengen ze de avond door, hij streelt haar hand, zij ademt.
Soms stokt de adem om dan na enige stilte toch weer een zucht te vormen.

Op aanraden van de nachtverpleegster gaat Ex slapen. Om 4 uur maakt ze hem wakker. Het is beter dat je er nu even bijkomt, zegt ze.
Hij gaat naast haar zitten. Neemt haar in zijn armen. Ze ademt in en uit.
Hij streelt haar hoofd. Zegt haar dat het goed is. Ze ademt in en uit.
Hij zegt dat ze mag gaan. Dat het mooi is geweest. Na een lange stilte ademt ze in en heel zachtjes weer uit.
Dan blijft het stil. 
Ex kijkt naar de verpleegster. Die schudt haar hoofd. Hij kijkt weer naar zijn moeder. Ze slaakt een lange diepe zucht. Zijn hart staat even stil, van verwachting, van hoop, van angst tegelijk. Hij wacht op de volgende. Kijkt naar de verpleegster. Ze knikt.
Annie is dood.

Maandag 15 augustus

Dat een koud iemand nog zoveel warmte af kan geven.
Ik zit op de stoel naast haar bed, met het geronk van de koeling op de achtergrond. Ik leg mijn hand op haar arm en laat die daar liggen. Voel de energie stromen. 'Leef' stroomt het door al mijn aderen, echoot het in mijn bloed.

Haar kleinzoon zit met zijn rug naar haar toe. Houdt zich stoer, houdt zich overeind. Anderen geven vorm aan hun verdriet door te praten, verhalen van vroeger te vertellen. Proberen een stukje van haar te claimen door iets te vertellen wat alleen zij met haar hebben gedeeld. Proberen de band te versterken door te zeggen dat ze dochter zijn, geen schoondochter.

Hoe de naderende dood alle beleefdheden wegneemt. Een vriendin die zich in de moeilijke tijden weinig heeft laten zien komt bij Annie langs. De vriendin moet huilen, zegt hoe verdrietig ze is. Vervelend voor je, zegt Annie en kijkt uit het raam.

Ex staat in de deuropening van het huis van zijn moeder naar de regen te kijken. Ik ga achter hem staan, druk me tegen hem aan, omhels hem. Dichterbij dan ooit. Gelijkwaardiger dan ooit.

Als ik aankom vanmorgen ligt ze nog op haar bed voor het raam. De familie drentelt er wat omheen en de kraaien zijn al wel gearriveerd.
In mijn hand een boeket met 50 rozen, in wit, geel, oranje, lichtrood en gebroken wit. Ik val wat uit de toon bij alle met liefde zelfgeplukte boeketten, maar het is mijn daad, mijn band met haar.
Dan rijden ze de kist de achtertuin in. Rijden 'm naast haar bed. Nemen allevier een hoek van het laken onder haar en tillen haar de kist in. Het gesnuf van kinderen en kleinkinderen.
Ik blijf op gepaste afstand. Kijk toe vanuit de tuin. Zie hoe een lijf opeens verandert in een pop, terwijl ik tegelijkertijd verwacht dat ze ieder moment de ogen opent en boe zegt.
Op de tonen van Earl Bostic gaat de kist dicht en de bloemen erop.

Dan in een stoet eigen auto's van A naar Z, Annie voorop, zij leidt de weg.

Bij de aula ontmoet ik mensen die ik in een vorig leven voor het laatst zag, familie en vrienden van Ex, mensen die ik herken en zij mij niet, mensen die mij herkennen en ik hen niet.
En ondanks het warme gezelschap blijft een aula kil, en onpersoonlijk, geschikt voor alle doelgroepen. Op de muziek van Ry Cooder komen we binnen en zoeken onze plek. Wordt er gesproken, mooi en realistisch, over dit lastige prachtmens. Over dat zij als geen ander in staat was in een ieder een vonkje te zoeken en vinden en dit altijd maar weer aan te wakkeren.
Wordt er gelachen, en hier doet een lach niet af aan de pijn, integendeel. De lach verbindt, verwarmt, en kan net als een traan uiting zijn van verdriet. De kracht weerklinkt in de door haar zo geliefde shinti-muziek, strijdvaardigheid en overgave.

De begraafplaats is zoals ze heeft beloofd.
Prachtig oud en overwoekerd. De eenvoud, de rust, het geweldige uitzicht. De steen met de namen van haar ouders staat opzij, om plaats te maken voor hun dochter.

We sluiten af met eten. Ik voel me onderdeel van een grote Italiaanse Shinti-familie. Het eten, de grappen, de drank die rijkelijk vloeit. De warmte die in aanrakingen, woorden en blikken wordt uitgewisseld. Boeren en scheten worden gelaten.
Alles in de geest van Annie.
Dinsdag 16 augustus

Hoe begin je met leven...
Ik heb Annie en mezelf beloofd te gaan leven, maar hoe doe je dat?
In ieder geval door het leven als feit te zien, en niet als vraag.

Wat ik gisteren heb gezien en ervaren is dat het leven doorgaat als er verdriet is. Dat een lach en een traan hand in hand gaan in plaats van plaats voor elkaar te moeten maken. Als je lacht wil dat niet zeggen dat je geen pijn hebt en als je huilt wil dat niet altijd zeggen dat je niet ook een beetje gelukkig kan zijn.

Tot nu toe lukt het me aardig om het huis toonbaar te maken als er iemand langs gaat komen en zelfs een enkele keer als er niemand komt. Een tijd geleden heb ik mijn huis binnenstebuiten gekeerd, als interne en externe schoonmaak.
Maar een paar kamers zijn nog niet aan de beurt geweest, zijn netjes voor het oog maar niet als je deurtjes opent of je vinger langs bovenkanten van kastjes laat glijden. De overgeslagen ruimtes hebben eigenlijk allemaal wel iets te maken met mijn eigen verzorging. Innerlijk en uiterlijk. De slaapkamer, de keuken en de badkamer.

Als ik ergens moet beginnen met leven, dan is het daar. In die ruimtes, in dit deel van mezelf.
Dichtbij mijn zelf.

Eindelijk krijgen we meer antwoorden
op de ontstaansgeschiedenis,
en worden diverse wrede strafmethodes getoond.
Op het moment dat ik mezelf in de boeien heb geslagen
belt Ex op mijn mobiel.
Verder gaan we, langs kunst van gedetineerden,
foto's van vroeger en cellen van nu.
Beetje tegengesteld maar zodra sluitingstijd in zicht is worden we de deur uit gewerkt. In eigen tempo gaan we nog even door het dorp, langs de huizen die al 20 jaar leeg schijnen te staan en de begraafplaats met vervallen hekjes en anonieme gedetineerdenkruisjes.

Via een prachtige 80km weg door de bossen rijden we de bijna volle maan tegemoet.
Woensdag 17 augustus

BHV en ik hebben er zin in: een dagje toeren door een deel van Nederland.
Zij rijdt, ik zeg waarheen.

Via de begraafplaats van Annie en de braderie in Staphorst belanden we in strafkolonie Veenhuizen.
Op de weg ernaartoe komen we langs huizen met stichtelijke namen als verdraagzaamheid en leven is werken. Het ene huis nog mooier dan het andere en een aantal staan er leeg.
We laten ons door de aardige mevrouw achter de kassa van het nieuwe museum verleiden tot een ritje in de boevenbus. Beloofd wordt ons uitleg over het ontstaan en toelichting op de verschillende gebouwen. Geleverd wordt een bus vol oude mensen, een gezin wat nodig in het programma 'Schatjes' geholpen moet worden en een man met een microfoon die ons op niet leuke anecdotes trakteert. We zien een nieuwbouwwijk, de basisschool en een paar nieuwe gevangenissen. We hebben ons nog nooit zo bevrijd gevoeld als het moment waarop we de bus mogen verlaten. We krijgen nog een klein uur de tijd om zelf het museum door te lopen.
Donderdag 18 augustus

Elke droom heeft het recht om werkelijkheid te worden.
Loesje zegt het, BHV sms't het.

Ik probeer eigenlijk geen stappen te zetten, maar om alleen mijn hand al uit te steken, uit te steken naar mezelf.
Ik zeg een afspraak af waar ik geen zin in had. Op het laatste moment, dus niet netjes, maar wel goed voor mezelf. Wil even stilstaan, niets moeten.
Ik zie van alles wat eigenlijk wél zou moeten, het onkruid in de tuin, de rommel in de keuken, maar ik maak de keuze niets te doen en geniet ervan.
Dit keer geen niets doen om dingen uit de weg te gaan maar niets doen omdat ik de komende 3 dagen moet werken en daar om diverse redenen wat tegenop zie.
Dus even geen grote daden, grote uitspraken of diepe gedachten.
Me beperken tot 1 ding: regelmaat in mijn leven brengen.
Op tijd naar bed en bijtijds opstaan. De tijd nemen voor 3 maaltijden en niet nauwelijks echt eten en constant tussendoortjes tot mij nemen. Iedere week een uurtje kiezen om een korte schoonmaakbeurt door het huis te doen in plaats van het maar te laten verslonzen waardoor iedere schoonmaak nu meteen een lenteschoonmaak is.

Dit plan kan makkelijk weer veel te groot worden en verzanden in hinkstapsprongen waarbij ik mezelf voorbij loop. Maar dit zijn wel sprongen die ik voor mezelf maak, en niet om de ander maar een goed beeld te geven.
Stappen naar mezelf toe, in plaats van naar een ander.
Zaterdag 20 augustus

Ex vraagt of ik 's avonds bij hem kom eten. Hij heeft zin om weer eens thuis te zijn, om gezelschap te hebben. Overdag heeft hij met zijn broer de grote spullen uit het huis van zijn moeder naar verschillende mensen gebracht, zo ook 2 kastjes bij mij.
We praten over de bijzondere mensen in zijn leven die al overleden zijn. Over hoe hij als geen ander in staat is niet te blijven hangen in pijn, verdriet en zelfmedelijden. Dat hij oprecht blij kan zijn deze mensen te hebben gekend en van ze te hebben kunnen leren en vooral dát mee te nemen en iedere dag bewust intens te (be)leven. Bij veel anderen zijn dat mooie en loze woorden, bij Ex niet. Ik kan het weten, ik heb een aantal jaar van mijn leven met hem geleefd.
We lachen, we huilen, we missen, we delen.

Hij breekt bij het zien van haar poëziealbum, wat zijn moeder kreeg op 5 december 1944 en gevuld met versjes van familie, schooljuffen en klasgenootjes. Achterin heeft ze zelf, op 10 jarige leeftijd, geschreven dat dit poëziealbum haar bezit is, zolang ze leeft. Mijn tranen stromen.

Thuis weer, als haar kastjes midden in mijn kamer staan.
Poes zit er bovenop, en laat zich vallen om door mij geaaid te worden.

Vanavond weer niet gelukt om vroeg naar bed te gaan, wat onderdeel is van mijn doel voor deze dagen, in een poging door regelmaat ook rust te bereiken. Maar het onderhouden van vriendschappen is ook een goed doel.
Zondag 21 augustus

Aan het eind van een productieve dag komt het bericht dat een collega dit weekend is overleden aan een hartstilstand.

Vermoeidheid maakt zich van me meester.

Een ongeluk komt zelden alleen, zeggen ze.
Maandag 22 augustus

In het Dorp zit veel beweging dezer dagen.
Verhuiswagens rijden af en aan.
Anderen kruipen dicht tegen elkaar aan, om elkaar (voorlopig) niet meer los te laten.

Ik merk hoe makkelijk het zou zijn dit alles te betrekken in een neerwaartse spiraal. Om het op te tellen bij de doden die vallen, het niet liegende spiegelbeeld, de zooi in mijn huis en mijn leven.
Hoe makkelijk het zou zijn om te bedenken dat het leven geen zin heeft nu mensen om me heen dood gaan, nu ieder ander om me heen een ander vindt EN IK NIET.
En toch is er nu nog iets wat sterker is dan mezelf. Is er iets in mij wat het leven niet in twijfel wil trekken, en wat mezelf een schop onder de kont geeft.
Is er kennelijk iets in mij wat wil léven, tot grote verbazing van mezelf.
Dinsdag 23 augustus

Ze vertelt me hoe ze een ingang zoekt maar dat ik de deur regelmatig in haar gezicht dicht smijt.
Het is een gesprek over mijn functioneren en ik probeer écht te horen wat er gezegd wordt. Ze zegt me dat ze zich zorgen maakt. Dat ze geschrokken is, toen ze zondag gebeld werd door een aantal mensen van het werk. Dat ze dacht dat het over mij ging.
Ik probeer het te horen en volwassen te reageren. Probeer niet in de verdediging te schieten, of de aanval te openen. Ik ben het niet altijd eens met wat gezegd wordt, maar kan (en moet dat ook niet willen) niet wegnemen dat mijn gedrag zo op haar overkomt. Ik probeer praktisch mee te denken, mee te zoeken naar oplossingen, en ook om mijn kant uit te spreken. Voor mezelf te zorgen.

Ook in andere gesprekken voel ik me groeien. Voel ik me geven én ontvangen.
Voel ik me stapje voor stapje een volwaardig mens worden.
Woensdag 24 augustus

De 3 musketiers komen bij elkaar en bespreken het leven, hun leven. De hindernissen, de hulpstukken. Bespreken dat we allen uniek, exclusief willen zijn maar tegelijkertijd behoefte hebben aan herkenning. Erkenning.

Door alles wat er om me heen gebeurd, ben ik momenteel een wandelend vergiet. Ik maak lijstjes en streep lustig door. Probeer realistische doelen te stellen, doelen binnen handbereik in plaats van wat ik ooit zou moeten en wat zou kunnen als ik anders was. Ik heb voor mezelf een weekrooster gemaakt. Met daarop geen grote dingen als het opruimen van kasten of het verven van muren. Daarop wel de dagelijkse, wekelijkse dingen die bijdragen tot een opgeruimd huis, een verzorgd mens, en regelmaat.
Als die dingen weer een structureel onderdeel uitmaken van mijn leven zal er daardoor weer ruimte ontstaan om me bezig te houden met grote en grootste zaken.

Als ik thuis kom na het samenzijn met de collega musketiers overdenk ik wat ik nog zal doen voor het slapen gaan. Ik overweeg te beginnen met het opruimen van de kledingkast. Bedenk dan heel volwassen dat het niet goed is te beginnen met iets wat je diezelfde dag niet af kan maken. Voel me vervolgens ook niet schuldig voor het niet doen van dat wat al een tijdje zou moeten, maar doe nog even iets kleins, iets behapbaars, iets haalbaars.
BHV en ik smssen de laatste tijd veel met elkaar om elkaar een beetje in de gaten te houden en om elkaars dagdoelen te checken. En zo betrapt zij mij regelmatig op het te stellen van te verre doelen, te grote eisen. In één dagdeel 2 kastjes van Annie te willen vullen en meteen de kasten waar die spullen uitkomen op te ruimen. Begin eens met 1 kast, 1 plank.
Ze heeft gelijk, hoewel mijn geest wat anders zegt, wat anders wil. Bij het vullen van kast 1 bemerk ik mijn neiging om over te schakelen op iets anders. Als de bovenste lade gevuld moet worden met mijn administratie bedenk ik me dat ik daar dan eerst orde in aan moet brengen. Op zich goed, maar ook een uitvlucht om de dingen niet af te maken. De dingen eerst zoveel groter maken, onnodig groter, om daarna als een slachtoffer achterover te gaan zitten en te verzuchten dat het nu te groot is om er iets aan te kunnen doen.

Ik heb het al vaak gezegd en zie het bewijs wederom geleverd: de manier waarop je met je huis omgaat, zegt alles over de omgang met jezelf.
Donderdag 25 augustus

Ooit kreeg ik op mijn opleiding de opdracht een monoloog uit A Streetcar named Desire te regisseren. De tekst riep om emoties, van ingetogenheid naar hysterie.
Ik kreeg een speelster toegewezen en in haar grote woonkamer probeerde ik haar zover te krijgen. Het lukte wel, en ik slaagde in mijn opdracht maar het commentaar was dat je beter iemand eerst de extreme kant kon laten spelen en het vervolgens te nuanceren en af te zwakken, in plaats van steeds een stapje erbij, zoals ik had gedaan.

In mijn dagelijkse leven ben ik geneigd alles (onnodig) groot te maken. Zo ook met het doen van klusjes. Denk ik dat ik eerst plafonds moet verven, de keukenmuren moet stucen en de badkamervloer moet schrobben. Dat ik daarna pas de routine kan oppakken van de gewone taakjes. Maar zo geef ik mezelf steeds weer een excuus, een uitvlucht om dingen niet te hoeven doen.

Het wordt tijd de dingen om te draaien.
Zaterdag 27 augustus

Ik ben een bikkel en wil dat ook zijn.

Op zaterdagochtend stap ik uit vermoeidheid naast een heel laag stoeprandje en bij een poging overeind te blijven val ik op de grond. De fietser die voor me stopt vraagt of het wel gaat en ik vraag of ik hem niet geraakt heb in mijn val. Hij zegt nee, en vraagt nogmaals of het gaat. Ik zeg 'ja hoor' en loop met pijn zo recht mogelijk weg. Later op de dag zie ik mijn kapotte knie en mijn 2 keer zo dik geworden enkel.

Ooit zei iemand me tijdens een festival dat ik een bikkel ben. Ik vond het een compliment en zo was het ook bedoeld. Tegenkant ervan is dat ik in zo'n fase regelmatig over grenzen heen ga. Maar tegenwoordig probeer ik iets volwassener te zijn. Probeer ik beter voor mezelf te zijn. Als blijkt dat ik na mijn eigen werktijd niet afgelost kan worden door een collega, blijf ik wel langer maar niet tot het laatst. Ik draag over, ik blijf bereikbaar en houd me op de hoogte maar trek een grens en ga naar huis. Het is mooi geweest.
Ook bikkels hebben rust en slaap nodig.

Maandag 28 augustus

We maken de balans op en kunnen eigenlijk niet anders concluderen dan dat het best goed gaat. Het zijn kleine maar structurele stappen. Ik maak de dingen kleiner in plaats van groter. Haal ze dichterbij in plaats van alles en iedereen van me te vervreemden. Leer hoe gevoelens naast elkaar kunnen en mogen leven, en elkaar niet hoeven te verdringen. Hoe ze geen afbreuk aan elkaar doen, maar elkaar beïnvloeden, en nu ook positief.
Ik neem me voor de rest van de dag iets kleins, iets zeer noodzakelijks te doen. Om dit te doen voor ik begin aan iets waar ik al mee bezig was, iets wat leuker is.
Maar ik val in slaap. Een lange allesomvattende hoognodige droomloze slaap.
Het vroeg naar bed gaan-doel is alvast behaald...
Dinsdag 29 augustus

Als ik mijn bed uitrol zie ik hoe voor mijn deur een bus van de douane parkeert en daarachter een zwart busje zonder opschrift. Met mijn nog lang niet werkende brein probeer ik te bedenken waarvoor een douane iemand op zou willen pakken. Als ik de straat uitrijd komt een politiewagen me tegemoet.

In de trein is het druk. Ik ga schuin tegenover een man zitten. De man wil zijn aanwezigheid nadrukkelijk kenbaar maken. Hij gaapt hardop, met open mond en zijn handen in de lucht. Hij trekt de pijpen van zijn korte afgeknipte spijkerbroek wat hoger op en ik durf niet te kijken of ik zijn ballen al kan zien.
Hij trekt zijn tefa's uit en legt zijn lange blote benen naast me op de bank. Soms te dichtbij en ik bereid me voor op mijn reactie zodra zijn been het mijne raakt.

Op het werk krijg ik complimenten over mijn werk de afgelopen dagen. Op mijn werk maak ik keuzes en ben daardoor een stuk productiever. Door keuzes maken doe je niet minder maar juist meer, is mijn les van vandaag.

In de trein weet ik nog net een plaatsje voor mezelf te bemachtigen. Ik ben nog zo sociaal om mijn tas op mijn schoot te houden, om de plek naast me open te houden voor een ander, voordat ik mijn ogen sluit. Ik voel nog hoe billen zacht neerploffen naast me maar ik ben al te moe om te kijken wie er bij hoort.
De stem van de conducteur die mijn eindhalte aankondigt laat me mijn ogen weer opendoen. Ik grijp mijn tas vast en maak zonder op te staan alvast een kwartslag draai met mijn bovenlichaam. Kijk dan in het lachende gezicht van Thomas. Goedemorgen, zegt hij. Staat dan op en loopt de trein uit.


Woensdag 30 augustus

Een vrije dag.
Eind van de middag krijg ik bezoek dus ik moet echt mijn huis opruimen. Wederom een klus tegen de klok. En weer vraag ik me af wanneer ik dit nu eens voor mezelf ga doen, wanneer ik dit nu eens onderdeel laat zijn van mijn routine, mijn orde, mijn regelmaat.
En weer had ik bedacht hier een bepaalde tijd mee bezig te zijn en dan nog tijd over te houden voor noodzakelijk kwaad, de administratie. En weer word ik door de feiten en de wijzers van de klok ingehaald en heb ik mijn huis en mijzelf maar net op tijd klaar.

Ik sta een half uur te drentelen aan de voet van de toren, te wachten op de afspraak, maar die komt niet opdagen. Een soort van opgelucht wandel ik weer terug naar mijn fiets. Ik warm een prakkie op en stort me op mijn papieren. De stapel blijft groeien, hetgeen mij niet meer zou mogen verbazen gezien het feit dat ik mijn brievenbus het liefst ongeopend laat.

En zoals altijd ben ik te laat te productief. Probeer ik 's nachts nog even te compenseren wat ik eerder heb laten liggen. En zoals altijd verschuil ik me achter dingen om die andere dingen niet te doen, of niet eerder te doen.
Bedenk ik nu dat ik deze week mijn best niet meer hoef te doen, omdat je met zoiets meteen aan het begin van je week moet beginnen, en dat het halverwege geen zin meer heeft.

Donderdag D day.
Dadendag.


MEE LEVEN

MEE KIJKEN

ANDER LEVEN

EERDER LEVEN

VANDAAG
Sammy


























augustus 2005