Maandag 15 augustus
Dat een koud iemand nog zoveel warmte af kan geven.
Ik zit op de stoel naast haar bed, met het geronk van de koeling op de achtergrond. Ik leg mijn hand op haar arm en laat die daar liggen. Voel de energie stromen. 'Leef' stroomt het door al mijn aderen, echoot het in mijn bloed.
Haar kleinzoon zit met zijn rug naar haar toe. Houdt zich stoer, houdt zich overeind. Anderen geven vorm aan hun verdriet door te praten, verhalen van vroeger te vertellen. Proberen een stukje van haar te claimen door iets te vertellen wat alleen zij met haar hebben gedeeld. Proberen de band te versterken door te zeggen dat ze dochter zijn, geen schoondochter.
Hoe de naderende dood alle beleefdheden wegneemt. Een vriendin die zich in de moeilijke tijden weinig heeft laten zien komt bij Annie langs. De vriendin moet huilen, zegt hoe verdrietig ze is. Vervelend voor je, zegt Annie en kijkt uit het raam.
Ex staat in de deuropening van het huis van zijn moeder naar de regen te kijken. Ik ga achter hem staan, druk me tegen hem aan, omhels hem. Dichterbij dan ooit. Gelijkwaardiger dan ooit.
Als ik aankom vanmorgen ligt ze nog op haar bed voor het raam. De familie drentelt er wat omheen en de kraaien zijn al wel gearriveerd.
In mijn hand een boeket met 50 rozen, in wit, geel, oranje, lichtrood en gebroken wit. Ik val wat uit de toon bij alle met liefde zelfgeplukte boeketten, maar het is mijn daad, mijn band met haar.
Dan rijden ze de kist de achtertuin in. Rijden 'm naast haar bed. Nemen allevier een hoek van het laken onder haar en tillen haar de kist in. Het gesnuf van kinderen en kleinkinderen.
Ik blijf op gepaste afstand. Kijk toe vanuit de tuin. Zie hoe een lijf opeens verandert in een pop, terwijl ik tegelijkertijd verwacht dat ze ieder moment de ogen opent en boe zegt.
Op de tonen van Earl Bostic gaat de kist dicht en de bloemen erop.
Dan in een stoet eigen auto's van A naar Z, Annie voorop, zij leidt de weg.
Bij de aula ontmoet ik mensen die ik in een vorig leven voor het laatst zag, familie en vrienden van Ex, mensen die ik herken en zij mij niet, mensen die mij herkennen en ik hen niet.
En ondanks het warme gezelschap blijft een aula kil, en onpersoonlijk, geschikt voor alle doelgroepen. Op de muziek van Ry Cooder komen we binnen en zoeken onze plek. Wordt er gesproken, mooi en realistisch, over dit lastige prachtmens. Over dat zij als geen ander in staat was in een ieder een vonkje te zoeken en vinden en dit altijd maar weer aan te wakkeren.
Wordt er gelachen, en hier doet een lach niet af aan de pijn, integendeel. De lach verbindt, verwarmt, en kan net als een traan uiting zijn van verdriet. De kracht weerklinkt in de door haar zo geliefde shinti-muziek, strijdvaardigheid en overgave.
De begraafplaats is zoals ze heeft beloofd.
Prachtig oud en overwoekerd. De eenvoud, de rust, het geweldige uitzicht. De steen met de namen van haar ouders staat opzij, om plaats te maken voor hun dochter.
We sluiten af met eten. Ik voel me onderdeel van een grote Italiaanse Shinti-familie. Het eten, de grappen, de drank die rijkelijk vloeit. De warmte die in aanrakingen, woorden en blikken wordt uitgewisseld. Boeren en scheten worden gelaten.
Alles in de geest van Annie.