Dinsdag 12 april
2 Gemiste oproepen.
Ik hoorde de telefoon, in de tas op de gele bank.
Ik zit aan de andere kant van de woonkamer, op de rode bank.
Ik hoor de telefoon. Hoor de telefoon 10 minuten later weer.
Ik kom niet in beweging.
Als ik al zou willen dan zou ik het niet kunnen.
Ik heb een paar uur kromgebogen in de tuin gestaan.
De koopwoede van 2 dagen staan planten.
Niet omdat ik het leuk vind.
Maar omdat het zo hoort.
Mooi weer - buiten - tuin.
Zoals ik ook eet, omdat het moet, niet omdat het me smaakt.
Ik heb een vermoeden wie me bellen.
Ze hebben al eerder gebeld. Bellen regelmatig.
Ik had me voorgenomen altijd op te nemen om de ongerustheid niet te voeden.
Ook al staat het me iedere keer tegen.
Ik kan het maar moeilijk opbrengen de vraag te beantwoorden hoe het met me gaat
bij mensen die het goed met me voor hebben maar bij wie ik toch maskers ophoud.
Het niet opnemen maakt het niet makkelijker.
In mijn hoofd formuleren zich antwoorden, smoezen.
En dan volgt het wachten op hun nieuwe poging mij te bereiken.
Het is niet zo dat niets me meer raakt.
Ik word als een kind zo blij als ik op de voorste stoel zit, boven in een dubbeldekker in Londen.
Stap van mijn fiets en laat een gelukstraan rollen als naast me een zwaan in de sloot landt.
Die enorme wijdte van de vleugels, de intens witte kleur, de elegantie.
Maar de boosheid, de pijn, het verdriet wint.
Het verscherpt mijn zintuigen, vooral geluiden komen snoeihard binnen.
Dus daar zit ik dan, op de rode bank, terwijl de telefoon gaat.
Ik kijk onbewogen naar de tv, de gesprekken daar lijken zich in mijn hoofd af te spelen, ongeacht welk gesprek.
Ondertussen stijgt mijn irritatie tot ongekende hoogte vanwege een teen die door het gat in mijn linkersok steekt.