Sammy
Sammy


VANDAAG

EERDER LEVEN

ANDER LEVEN

MEE KIJKEN

MEE LEVEN
april 2011


Dinsdag 12 april

2 Gemiste oproepen.
Ik hoorde de telefoon, in de tas op de gele bank.
Ik zit aan de andere kant van de woonkamer, op de rode bank.
Ik hoor de telefoon. Hoor de telefoon 10 minuten later weer.
Ik kom niet in beweging.
Als ik al zou willen dan zou ik het niet kunnen.
Ik heb een paar uur kromgebogen in de tuin gestaan.
De koopwoede van 2 dagen staan planten.
Niet omdat ik het leuk vind.
Maar omdat het zo hoort.
Mooi weer - buiten - tuin.
Zoals ik ook eet, omdat het moet, niet omdat het me smaakt.

Ik heb een vermoeden wie me bellen.
Ze hebben al eerder gebeld. Bellen regelmatig.
Ik had me voorgenomen altijd op te nemen om de ongerustheid niet te voeden.
Ook al staat het me iedere keer tegen.
Ik kan het maar moeilijk opbrengen de vraag te beantwoorden hoe het met me gaat
bij mensen die het goed met me voor hebben maar bij wie ik toch maskers ophoud.
Het niet opnemen maakt het niet makkelijker.
In mijn hoofd formuleren zich antwoorden, smoezen.
En dan volgt het wachten op hun nieuwe poging mij te bereiken.

Het is niet zo dat niets me meer raakt.
Ik word als een kind zo blij als ik op de voorste stoel zit, boven in een dubbeldekker in Londen.
Stap van mijn fiets en laat een gelukstraan rollen als naast me een zwaan in de sloot landt.
Die enorme wijdte van de vleugels, de intens witte kleur, de elegantie.

Maar de boosheid, de pijn, het verdriet wint.
Het verscherpt mijn zintuigen, vooral geluiden komen snoeihard binnen.
Dus daar zit ik dan, op de rode bank, terwijl de telefoon gaat.
Ik kijk onbewogen naar de tv, de gesprekken daar lijken zich in mijn hoofd af te spelen, ongeacht welk gesprek.
Ondertussen stijgt mijn irritatie tot ongekende hoogte vanwege een teen die door het gat in mijn linkersok steekt.




Vrijdag 22 april

Heb me er de hele week al op verheugd, voor zover je van verheugen kunt spreken.
Vandaag mag ik uitslapen, vandaag ben ik vrij.
Om half 10 ga ik mijn bed uit.
Neem met mijn ontbijt op de bank plaats.
Hoopvol, de dag ligt nog voor me.
Dan gaat buiten de aggregaat aan.
En even later apparatuur die doet denken aan de tandarts waar ik volgende week weer heen moet.
Gevelreiniging.
Mijn gevel.
Vandaag.

Het zou een schop onder de kont moeten zijn.
Om uit huis te gaan. Naar buiten.
Morgen zullen collega´s vragen hoe het was, de vrije dag.
Ik zal zeggen ´goed´, ik weet dat ik lieg.

Ik lig op de bank en bedenk wat ik zou moeten en willen doen.
De tuin verder opruimen, boodschappen doen, een nieuw rek kopen voor vóór op de fiets
omdat het oude rek deze week gestolen is samen met de fiets waar deze op vast zat.
Ik zou de foto´s op moeten hangen die in de winter door de verwarming van de muur zijn gevallen.
De plank met de reisboeken is naar beneden gezakt. Ik kijk er naar, iedere dag, en doe niets.
Ik zou al mijn papieren uit moeten zoeken.
Ik zou de wateroverlast die in mijn keuken is ontstaan aan moeten pakken.
Ik zou hulp moeten zoeken.

Heb het telefoonnummer al opgezocht maar ik bel niet.

Wat ik wel doe ik vasthouden aan het feit dat ik nog werk.
Aan het beeld van de zwaan die naast me landt.
Aan de jongen van ongeveer 15 jaar die op een druk stationsperron cello zit te spelen.

Zondag 24 april


Weer een dag voorbij.
Geen mensen gezien, lekker.
Egoïstisch ook.
Er zijn 2 mensen die aangeven me te missen.
Me te willen zien.
Maar juist deze 2 mensen houd ik op een afstand.
Omdat het dierbaren zijn, en bij hen kan ik mezelf niet verstoppen zoals ik op mijn werk doe.
Ik loop rondjes in mijn hoofd.
Het zou goed voor me zijn om deze mensen te zien.
Maar de drempel om te praten is zo hoog.
Het zou goed voor me zijn om hulp te zoeken.
Maar de vermoeidheid drukt alle motivatie weg
als een kussen op een gezicht in de handen van een moordenaar.

Ik loop op een weg, een eindeloos lange weg.
De zijwegen zijn geen optie, zowel links als rechts lopen dood.