Donderdag 15 april
Grote Broer is bijna dagelijks in het nieuwe huis van onze ouders te vinden, hij jaagt de verhuizing er door heen.
Ook Grote Zus is er veel bij, zij verft en bemiddelt.
Ik kan niet veel.
Er is nu bedacht dat ik mag helpen bij het maken van de verhuiskaart en dat ik mag helpen bij het inlichten van de instanties. Papa heeft mij vroeger geholpen bij het zetten van werkstukken in de computer, nu help ik hem. Hij belt regelmatig als hij dingen kwijt is op de pc, of niet meer weet hoe hij bepaalde dingen doet. Vorige week stuurde hij nog een mail aan verschillende mensen tegelijk, deze week komt hij daar niet meer uit en het kost grote moeite hem er telefonisch doorheen te loodsen.
Vandaag ga ik er naar toe, om een lijst te maken met instanties en een begin te maken met het sturen van het nieuwe adres.
We eten eerst wat boterhammen met kaas.
Hij bid voor het eten. Althans, hij doet zijn ogen dicht.
Ik ben christelijk opgevoed. Mijn vader is op een gegeven moment niet meer meegegaan naar de kerk, terwijl wij het nog wel ´moesten´. Maar nu bidt hij. Ik vraag me af wat hij denkt. Richt hij echt gedachten aan een god, vraagt hij iemand zijn eten te zegenen of zijn zijn gedachten bij de verhuizing en is hij blij zijn ogen even te mogen sluiten?
Dan mogen we eten. Een beleefd gesprek volgt. Hij vraagt, ik antwoord, ik vraag, hij antwoordt.
Dan gaan we aan het werk, hij zit achter zijn computer, ik achter mijn meegenomen laptop.
Het gaat traag maar het gaat.
Hij dommelt af en toe even weg, ik check af en toe of ik niet te snel ga.
Hij heeft bij alles de behoefte mijn broer te bellen voor overleg, mijn daadkracht slinkt.
Mama komt thuis, ze heeft vandaag staan behangen in haar nieuwe huis waar ze nog steeds niet wil wonen.
We eten pannenkoeken met suiker en stroop en aardbeienjam en dan ga ik naar huis, met spulletjes die zij wegdoen en een poster van Sven Kramer.
Op het treinstation voel ik een spanning.
Een man kijkt vanaf de brug naar het perron, slaat iets gade en rent dan samen met mij de trap af. 'Ze vechten', hoor ik hem tegen anderen zeggen. Iemand belt de spoorwegpolitie en hoort dat die al op de hoogte is, dat de treinen op dit stuk niet rijden vanwege die vechtende mensen die mogelijk op de rails terecht kunnen komen. Ik kijk naar het einde van het perron waar wat mensen zijn verzameld. Ik kan niet zien wie er vechten en wie er omheen staan. 'Veel te gevaarlijk', hoor ik iemand steeds zeggen. Een man van Chinese afkomst loopt kordaat op de groep toe en schreeuwt naar ze. Een andere man wil volgen maar zijn vriend houdt hem tegen. 'Stel je voor dat ze jou gaan slaan'.
Ik voel de laptop aan mijn schouder, de meegekregen glazen in een andere tas en loop achter de Chinese man aan. Ik kan niet anders. Stilstaan en toekijken is kennelijk geen optie.
Zoals ik dagenlang niets kan doen en op de bank lig, zo moet ik nu in actie komen. Dichterbij gekomen zie ik dat een man een vrouw slaat. De anderen erom heen kijken toe. De Chinees probeert de man tot rede te brengen, maar zijn ogen staan op standje onbereikbaar.
Ik loop er om heen. Leg mijn tassen bij het bankje en pak de vrouw bij de arm. Probeer haar bij de man weg te trekken. De man haalt opnieuw uit maar mist, hij staat wankel op zijn benen. Er klinken sirenes, de man is afgeleid en ik trek de vrouw van hem vandaan, naar het bankje. Haal nog wel mijn glazen weg.
Het geluid van de sirenes komt snel dichterbij en 4 agenten en 2 agentes rennen het perron op. Wat is dat toch met mannen in uniform.
Ze grijpen de man, die stribbelt tegen en de 4 agenten overmeesteren hem en leggen hem op de grond. Ik zie bloed op zijn gezicht, rond zijn mond.
De vrouw zit als een zielig hoopje op de bank, ook bebloed. De agentes ontfermen zich over haar. Ik sta er vreselijk nutteloos naast.
Hang mijn tassen maar weer aan mijn schouder en stap in de eerste trein die voorbij komt.
Een traan rolt uit mijn rechteroog.
Naast me hoor ik een monotoom geluid.
Eerst kan ik het niet thuisbrengen, dan blijkt het tussen de lippen van de man een bankje verder te komen. Hij stond net ook op het perron, te kijken. Hij praat met zijn god.
Vraagt hij om vergeving voor zijn medemens? Om vergeving voor zijn niets doen?
De wandeling van de stationshal naar mijn fiets wordt bemoeilijkt door fout geparkeerde fietsen. Een scooter wil langs mij, toetert. Mijn opstandige hart wil meteen roepen dat het hier een voetgangersgebied is maar ik zet een stap opzij.
Het was genoeg vandaag.