Zaterdag 4 april
Daar staat een kist, daar boven een foto en in de kist het lange lijf van de man op de foto.
Het is een lange weg ernaartoe, niet in de laatste plaats omdat ik met familie zit. Ik zie de patronen die ik zo ontzettend probeer los te laten in hen terug. Het gaat ruim een uur lang over de route, over andere automobilisten, over het verschil tussen mistig en heiig.
Ik ben hier niet echt voor hem. Ik ben hier omdat ik voel dat ik er moet zijn. Omdat ik mijn moeder voor het eerst heb zien huilen.
Ik heb geen partner die ik kan verliezen. Ik durf geen antwoord te geven op de vraag in mijn hoofd of ik daarmee gelukkiger ben.
Maar ik ben behept met een groot inlevingsvermogen. Ik kan me voorstellen hoe het is om heel erg van iemand te houden. Om daarna iemand heel erg te gaan missen.
Is het erg dat ik tijdens de dienst naar zijn foto kijk maar aan andere doden denk?
Dat ik verdrietig ben, maar niet om hem?
Dat ik niet goed weet waarom dan wel?
Dat ik zelfs bij de begrafenis van een vreemde zou kunnen huilen?
Ex wordt misselijk bij krantenberichten waar bijvoorbeeld staat geschreven hoe terroristen een bus binnendringen en van voor tot achter de inzittenden afslachten. Je zal maar achterin zitten, zegt hij vol afschuw. Je zal maar leven, ouder worden, mensen om je heen in toenemende mate verliezen, weten dat dat ook jouw lot is.
Mijn moeder heeft het er moeilijk mee. Kan al niet accepteren dat mijn vader ziek is en hulpbehoevend is. Niet accepteren dat het leven gaat veranderen.
Grote Broer houdt namens mijn tante een slotwoord. Hij moet huilen. En daarom moet ik ook huilen. Mijn tante gaat naast hem staan. Een andere tante wil ook, maar mijn moeder houdt haar tegen. Zal later in ons besloten gezelschap in de auto zeggen dat ze daar niets te zoeken had. Dat het dan net is alsof gevoelens niet getoond mogen worden. Ik werp tegen dat dat erbij willen staan uit een eigen behoefte kan komen, uit een troost willen geven maar ik word niet gehoord.
Na het slotwoord loopt iedereen langs de kist. Ik sta voor de foto, voor de kist, alleen. Ik sta altijd alleen, op dit soort dagen, ik voel dat ook.
Moet snikken als ik wegloop, meer om mijn broer denk ik dan om degene die dood is.
Word op de gang ingehaald door nog meer tantes. Ze willen me meenemen naar de hal. Nee, zeg ik, ik moet eerst mijn broer omhelzen. Hij komt er net aan. Onze eerste omhelzing. En ik voel dat hij dat ook nodig had. Dat hij mij ook nodig had. Dat ik hem tot steun kan zijn.
Op de terugweg heeft mijn moeder haar verdriet duidelijk al weer weggerationaliseerd en weggeoordeeld.
Gelukkig val ik in slaap op de achterbank.