Zondag 6 april
Ook al wil ik er nog niet helemaal aan, maar ik ben vandaag op de terugreis. En ik zie er tegenop, tegen terugkomen.
Ik ben begonnen aan een boek waar ik bang voor ben.
Het is niet voor niets het laatste boek waar ik aan begin van de boeken die ik mee heb.
Philippe Besson - Verzoening.
De achterflap:
Komen we ooit over degenen heen die ons verlaten hebben?
En op de binnenflap:
'Komen we ooit over de mannen heen die ons verlaten?'
Dat is de vraag die Louise zich stelt nadat haar minnaar Clément haar in de steek heeft gelaten voor een andere vrouw. Louise gaat op reis naar Havana, Venetië en New York. Daarvandaan schrijft ze hem brieven, waarin ze verslag doet van haar machteloosheid, haar wanhoop en verdriet, waarin ze herinneringen ophaalt aan hoe het eens was en waarin ze vraagt naar het waarom.
Met deze roman heeft Philippe Besson het hartverscheurende en zo herkenbare gevoel van een verloren liefde met groot inlevingsgevoel neergezet. Tegelijkertijd is Verzoening een roman over eerlijkheid, zelfoverwinning, reizen en de troost van het schrijven. Louises brieven blijven onbeantwoord, maar dankzij het schrijven krijgen haar angst, haar verdriet en haar onbegrip een plaats.
Het is misschien wat masochistisch om aan dit boek te beginnen. Maar ik hoop op de zelfoverwinning, en de troost.
Tijdens het lezen dwaalt mijn blik vaak af, denk ik na over mijn eigen situatie. Worden dingen iets helderder, en soms ook wat verdrietiger. Maar dat is goed, verdriet is loslaten, in mijn geval.
Hieronder een aantal fragmenten, een soort van veilig, want andermans woorden.
Ik heb besloten je te schrijven, beter dan niets.
Beter dan hier zo in stilte te blijven.
Laat ik je zeggen: ik heb eerlijk, serieus gekeken of ik de stilte aankon, ik heb me erin gehuld zoals je een kledingstuk aanschiet, ik heb me eraan overgeleverd zoals je je bij een verplichting neerlegt. Dat heb ik in de eerste plaats voor mezelf gedaan, vergis je niet, het was een egoïstische keuze, ook al viel die me zwaar. Eigenlijk dacht ik dat het me zou helpen. Maar niets zeggen helpt niet, tenminste, we kunnen stellen dat het mij niet heeft geholpen. Ik geloof zelfs dat het me nog een beetje treuriger en verdrietiger heeft gemaakt. Om heel eerlijk te zijn maakte het me kapot, want ze is gevuld met beelden, de stilte, met herinneringen die je onmogelijk kunt verjagen, zoals van die hinderlijke vliegen die om je hoofd cirkelen, die je met woeste armbewegingen probeert weg te slaan en die steeds weer terugkomen. En verder heb je in stilte geen verweer: de aanvallen zijn des te pijnlijker.
Dus nu probeer ik woorden, dat kan niet erger zijn. Wie weet of ik me, door praten, niet zal bevrijden van het opgepotte verdriet? Een beetje.
(...)
Ik zal je bij je naam noemen.
Clément.
Ik kan niet meer zeggen: 'mijn liefste', of dingen die daarop lijken, al die onnozele uitdrukkingen die je gebruikt zonder in de gaten te hebben hoe belachelijk ze zijn, en die je om het hardst herhaalt totdat ze geen betekenis meer hebben. Jij zou je hoe dan ook ongemakkelijk voelen als ik 'mijn liefste' zou zeggen. Je zou beweren dat ik er niet overheen ben.
Bekentenis: ik ben er niet overheen. Maar zieken moeten zo netjes zijn om gezonde mensen niet in verlegenheid te brengen, men is hen dankbaar als ze hun kwaal verborgen houden.
(...)
Ik heb het trouwens aan jou te danken dat ik geen hekel meer heb aan mijn billen, dat is niet zo slecht. Een heleboel vrouwen zullen jaloers op me zijn.
(...)
Clément, ik heb lang gezocht naar het waarom van je uiteindelijke keuze. Ik heb lang gedacht dat het onduidelijk en onverklaarbaar was, dat ik vernuft en veel doorzettingsvermogen zou moeten hebben, dat van mathematici, om het te ontwarren, te ontcijferen. Toch was het heel simpel. Je had comfort nodig, zekerheden, bakens. Ik was niet in staat je die te geven, die andere vrouw wel. Dat is het. Ik was in het beste geval een tussendoortje, een verzetje, voor de afwisseling. Onnodig me daar nog langer het hoofd over te breken. Maar om niet méér dan dat te zijn geweest, en het te weten, maakt de pijn helaas niet minder heftig.
Je kunt het anders zeggen: ik droomde van een geliefde, jij was alleen bereid een minnaar te zijn.
Begrijp me goed: ik verwijt je niets. De gedachte om kritiek op je te leveren staat ver van me. Uiteindelijk is alles mijn eigen schuld. Wanneer je niet in de smaak valt, moet je dat alleen jezelf kwalijk nemen. Niet in de smaak vallen is een te sterke uitdrukking. Liever: niet genoeg in de smaak vallen. Ja, niet genoeg in de smaak vallen vind ik beter. Die nuance laat ruimte voor hoop. Misschien zal ik op een dag iemand tegenkomen bij wie ik wel genoeg in de smaak vallen.
En bovendien heb ik een mooi avontuur beleefd. Degenen die ons trakteren op een mooi avontuur moeten we toch dankbaar zijn. Dat is niet iedereen gegeven. Ik ben echt gelukkig geweest. Gelukkig en angstig, op hetzelfde moment, dat kan vreemd lijken. En het geluk is voorbijgegaan. De angst is gebleven.
(...)
Weet, voor je gemoedsrust, dat ik wacht op het moment waarop ik, net als Sagan in Een verre glimlach, in staat zal zijn om me heerlijk onverschillig te laten ontvallen: 'Ik wist dat ik weer alleen was. Ik had zin om dat woord tegen mezelf te zeggen. Alleen. Alleen. Maar wat zou dat eigenlijk? Ik was een vrouw die een man had liefgehad. Het was een doodgewone geschiedenis; het was de moeite niet waard me aan te stellen.'
Over als Clément wel zou hebben gereageerd:
Ik weet niet hoe ik dan zou hebben gereageerd. Zou er een golf van geluk, een gevoel van opluchting zijn geweest? Zou heel mijn wezen zich na maanden van spanning van spanning in één klap hebben laten gaan? Zou het zijn geweest als een greep die verslapt? Of een lichaam dat onderuit zakt. Ik stel me in ieder geval ontspanning voor, rust, voor het eerst sinds een hele tijd.
Of juist verstarring. Onmacht?
Natuurlijk zou met dat teken de hele rest weer bij me boven zijn gekomen: alles wat we voor elkaar hebben betekend, wat we hebben gedeeld en wat ik ben kwijtgeraakt. Die terugkeer, als een boemerang, van wat me is ontnomen, had me misschien wel van slag gemaakt, wie weet? Ik zou je dankbaar moeten zijn dat je me die opleving van verdriet niet hebt aangedaan.
Want al snel zou dat teken niet genoeg zijn geweest, ik ken mezelf. Ik had er nog een nodig gehad. Dat het niet een klap voor niets was geweest, een gebaar zonder gevolgen. Omdat jij een opening bood, zou ik in de verleiding zijn gekomen me daarin te storten. Tegen het gezond verstand in zou ik hebben overwogen wer contact te zoeken. En dan was ik onvermijdelijk opnieuw tegen jouw stilzwijgen en jouw weigering aangelopen. Daar was ik niet overheen gekomen.
Natuurlijk gaat het hier niet over mij. Hoewel er overeenkomsten zijn.
Aarzel wat bij de ontzettende uitmeting van gevoelens, maar soms krijg je ook lucht door dingen te vergroten, door ze op te blazen.
En is het voor mij misschien ook een erkenning van emoties, in plaats van het maar zo snel mogelijk te lozen. Wat toch een soort van ontkenning is.
Na een vakantie hoop ik altijd iets mee te kunnen nemen van die reis, dat het invloed heeft in de dagelijkse leven.
Zoals ik na mijn eerste vakantie in Frankrijk met Ex probeerde om iedere dag veel tijd te besteden aan het eten en verse kruiden te gebruiken. Ik hield dat 2 weken vol.
Ik zie op tegen de komende week. Wil niet weer ondergaan in de enorme drukte van mijn werk. Wil niet iedere dag hopen op een mail, of een sms. Op iets. Maar kan ook niet steeds op reis gaan om dat verlangen minder te hebben.
Heb een nieuw projectje bedacht, in het teken van beter voor mezelf zorgen.
Koken en tuinieren.
Zodat die lange tafel in mijn tuin ooit eens gevuld kan gaan met vrienden die ik nog moet maken en eten dat ik nog moet leren koken.