Sammy
Sammy


VANDAAG

EERDER LEVEN

ANDER LEVEN

MEE LEVEN

MEE KIJKEN
Vrijdag 22 januari

Buiten staan de steigers nog, gehuld in groen gaas, het is mijn uitzicht.
Binnen staan de dingen weer op hun plek, maar de sfeer is nog niet terug.
De kaarsen moeten terug, de foto's en ik heb het in eigen hand en ik doe niets.
Avond aan avond zit ik op de bank, onder een dekbed, Poes op schoot en ik ben boos op mezelf dat ik niets doe.
Ik houd een winterslaap met mijn ogen open.


Zondag 24 januari

Dat is het moment waar ik het meeste tegenop zie.
Dat kwartier waarin je in die koude ruimte ligt. Aan de wanden planken met steriel verpakte benodigdheden. Achter een raampje mensen in groene kledij, zich voorbereidend op je komst.

De angst die door je lijf zou willen gieren wordt onderdrukt door het kalmeringsmiddel. Voelde je eerder nog een roes van dat middel, werd je wat overmoedig en baldadig, nu valt alles weg en komt er een stilte. Een stilte die niet geruststellend voelt.

Je hebt een niet comfortabel schort aan, ligt onder een niet verwarmend laken. Je verlangt naar de moeder, naar troost. Je denkt aan doodgaan. Aan leven. Niet in staat aan beiden enige waarde te geven.

Je wilt huilen maar je kunt niet.
Je voelt je alleen.
Dit kwartier ben je zo alleen.
Zo allemachtig alleen.

Vrijdag 29 januari

Terwijl ik met een gehavende tiet op de bank lig bij te komen van de narcose wordt aan de andere kant van het raam een begin gemaakt met het weghalen van de steigers.

Maandag 1 februari

Een knobbel is een knobbel, ik bedoel, 1 knobbel is een knobbel en die wordt verwijderd.
Een 2e knobbel zet de deur open naar meer knobbels.

Was al niet al te dol op dit lijf, het wordt er zo niet beter op.
Voel me vervreemd, van mij, van dit lichaam dat het mijne schijnt te zijn.